Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die buiten de belasting vielen werd dus verkregen door vermenigvuldiging van het aangenomen gemiddelde bedrag met dit aantal.

De verhouding van het aldus verkregen cijfer tot het totaal der huurwaarden van alle woningen in de gemeente wijst derhalve aan welk gedeelte door den Staat als aandeel zou zijn te dragen. Door toepassing van de daarvoor te maken berekening wordt dus de tweede som verkregen, waaruit de Rijksuitkeering moet worden afgeleid.

Zooals we boven reeds zeiden, wordt de uitkeering per inwoner berekend. Met het oog daarop moeten beide sommen worden opgeteld en het totaal gedeeld door het cijfer aanwijzende het getal der inwoners op 1 Januari 1897. De aldus verkregen uitkomst is blijvend aangenomen als Rijksuitkeering per inwoner, zoodat telkenjare dit bedrag slechts behoeft vermenigvuldigd te worden met het cijfer, dat het zielental op 1 Januari van het jaar weergeeft om het totaal bedrag der uitkeering te weten.

Met het oog op bijzondere toestanden zijn nog enkele nadere bepalingen vastgesteld. Aan gemeenten, waar de armenzorg buitengewoon zware lasten oplegt, wordt een hoogere uitkeering toegekend dan haar volgens bovenvermelde regels zou toekomen. Deze bepaling berust op de overweging, dat, terwijl het billijk is, dat de onvermijdelijke kosten van het armwezen aan de gemeenten worden opgedragen, de zorg op den Staat moet rusten, dat de lasten van sommige gemeenten niet in te groote mate toenemen. De wet neemt aan, dat dit het geval is, waar de gewone kosten van armenzorg (gemiddeld over de jaren 1894, 1895 en 1896 berekend) meer dan 15 °/0 bedragen van de overige gewone uitgaven der gemeente, dat is ten naastenbij 13 °/0 van alle gewone uitgaven. Voor deze gemeenten is de uitkeering per inwoner aldus verhoogd, dat het totaal bedrag, dat door het cjjfer der inwoners op 1 Januari 1897 moet worden gedeeld om de uitkeering per inwoner vast te stellen is vermeerderd met een derde som, n. 1. met hetgeen de kosten voor armenzorg meer dan het genoemde percentage hebben bedragen.

Overigens is nog bepaald, dat voor die gemeenten voor welke de uitkeering kleiner zou zijn dan het bedrag waarover deze volgens de oude wetgeving konden beschikken, zij niet daar beneden zal dalen, terwijl voor gemeenten, waar op 1 Januari 1897 noch een hoofdelijke omslag of een andere plaatselijke directe belasting, noch opcenten op de personeele belasting, noch belasting in natura werden geheven, zij niet boven de som waarop die gemeenten vroeger recht hadden, zal stijgen.

Sluiten