Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vorst. Hierdoor werd niet alleen het bestuur van andere niet aan het hoofd van den Staat ondergeschikte autoriteiten uitgesloten, maar, waar overigens de Grondwet daaromtrent geen voorschriften gaf, achtten de Staten-Generaal zich daardoor ook alle aanleiding ontnomen om zich met de koloniale aangelegenheden te bemoeien. Met een kleine wijziging van redactie bleef het voorschrift in 1815 en in 1840 behouden. De grondwet van 1814 gaf den Souvereinen Vorst evenwel nog de bevoegdheid een Raad van Koloniën in te stellen ').

Langzamerhand is het onbeperkt gezag der Kroon ingekrompen. De Grondwet van 1815 schreef in art. 78 reeds voor, dat de maatregelen van inwendig bestuur voor die bezittingen door den Koning bij den Raad van State in overweging moesten worden gebracht, en de Grondwet van 1840 handhaafde niet alleen dit voorschrift, maar ging nog eene schrede verder, door te bepalen dat „de laatst ingekomene staten van ontvangsten en uitgaven van opgemelde volksplantingen en bezittingen" in den aanvang van elke gewone zitting aan de Staten-Generaal zouden „worden medegedeeld." Alleen „ het gebruik van het batig slot, beschikbaar ten behoeve van het moederland" zou bij de wet worden geregeld 2).

Noch op de begrooting van de kosten van bestuur, noch op eenig ander onderwerp kon de Rijkswetgever evenwel eenigen invloed uitoefenen; hy werd geheel uitgesloten. Krachtens deze Grondwetten stelde de Koning de reglementen op het beleid der regeering, zoo voor de Oost-Indische bezittingen, als voor de WestIndische koloniën vast, en oefende hij zoowel de wetgevende als de uitvoerende macht uit. Men huiverde, vooral bij het ontwerpen van de Grondwet van 1815, voor het denkbeeld, om de gewone wetgevende macht in zaken betreffende de bezittingen en koloniën te mengen, wellicht uit vrees „dat eene, voor de helft uit ZuidNederlanders samengestelde vertegenwoordiging, min geschikt kon zijn om invloed op de regeering der koloniën uit te oefenen," en dat de Hollandsche begrippen en belangen in zulke handen zouden lijden 8).

Bij de herziening der Grondwet van 1840 zal men niet minder

1) Artt. 35 en 36 G. W. 1814; Art. 60 G. W. 1815.

2) Art. 59 G. W. 1840.

3) Zie Thorbecke. Aanteekening op de Grondwet, 2e ed., Dl. I. blz.

135 vv.

Sluiten