Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hoede der ministerieele verantwoordelijkheid. Dat uit de geschiedenis der grondwettelijke bepalingen blijkt, dat aan de Kroon ten aanzien van dit deel van den Nederlandschen Staat ook wetgevende bevoegdheid toekomt, voor zoover de Rijkswetgever die niet voor zichzelf opeischt, kan de beteekenis van de uitdrukking „opperbestuur" niet wijzigen. Zooals wij reeds zeiden ') voor het overzeesche gebied is een krachtig en snelwerkend gezag noodzakelijk, en het was onmogelijk, in de Grondwet te dien opzichte de zuivere grens te trekken tusschen de wetgevende en de uitvoerende macht in dien zin, dat alleen de laatste aan de Kroon kon worden toebedeeld.

Zooals Mr. Buys 2) ook aantoont, was, indien men werkelijk in de Grondwet uitdrukkelijk wilde doen uitkomen, dat aan den Koning een zoo omvangrijke bevoegdheid ten aanzien van de koloniën toekomt, de keuze van het woord „ opperbestuur", dat in de Grondwet reeds een bepaalde, veel beperktere, beteekenis heeft, een verkeerde.

HOOFDSTUK I.

Nederlandsch-Indië.

Aan het voorschrift van het tweede lid van art. 61 der Grondwet (G. W. 1848 art. 59) is, wat Nederl.-Indië betreft, voldaan door de wet van 2 September 1854 (Stbl. n°. 129) 3). Deze wet is na langen strijd tot stand gekomen. Reeds kort na de invoering der Grondwet werd bij Koninklijke boodschap van 29 October 1851 bij de Tweede Kamer een ontwerp ingediend, dat echter onafgedaan bleef en in de zitting van 1852/58 weder werd aangeboden. Over dit ontwerp bracht de Kamer wel een voorloopig verslag uit (den 12 Maart 1858), maar de in April gevolgde ontbinding belette de voortzetting der behandeling. Het ontwerp van het thans werkende Regeerings-

1) Boven bladz. 134.

2) T. a. p. Dl. I bladz. 240.

3) Zie, behalve het boven geciteerde werk van Mr. J. de Louter, nog Mr. P. A. van der Lith en J. Spanjaard , „ de Staatsinstellingen van Nederland8ch-lDdië", en „Het Regeeringsreglement van NederlandschIndië" toegelicht door Mr. C. W. Maröadant.

Sluiten