Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Veel omvattend en gewichtig is deze betrekking. De resident vertegenwoordigt in alle omstandigheden het Gouvernement, en heeft, voor zoover dit vereenigbaar is met het aan sommige streken gelaten zelfbestuur, in zijn gewest het hoogste burgerlijk en geldelijk beheer. Als hoofd der politie in zijne residentie, is hij verantwoordelijk voor de handhaving van rust en veiligheid ')• Vooral is hem de zorg voor de gouvernements-cultures opgedragen 2). Niet minder gewichtig is zijne betrekking tegenover de inlandsche bevolking, die hij tegen willekeur en knevelarij, zoo van de zijde der Europeanen als van hare eigene hoofden, moet vrijwaren, terwijl hij tevens zorgen moet, dat de adelijke geslachten, die eenen grooten invloed uitoefenen op de bèvolking in het algemeen, aan het Nederlandsch gouvernement verbonden blijven. Het is vooral door de residenten dat de Gouverneur-Generaal in staat gesteld wordt te voldoen aan de verschillende verplichtingen, die hem bij het Regeerings-reglement en bij zijne bijzondere instructiën zijn opgelegd. Daarom ontvangen zij onmiddellijk hunne bevelen van den landvoogd, en voeren zij met hem rechtstreeks briefwisseling over alle belangrijke omstandigheden die in hun gewest voorkomen.

Bijna alle residentiën zijn in afdeelingen gesplitst, welke onder het bestuur staan van eenen assistent-resident, die de plaats vervangt van den resident, en aan hem verantwoordelijk is.

1) Voorheen stonden zij ook aan het hoofd van den landraad — waarover straks nader — en oefenden zij in die hoedanigheid een rechterlijk gezag uit. Bij Kon. besluit van 5 Maart 1869 (Ind. Stbl. n°. 47) is daarin verandering gekomen. Thans berechten zij nog politieovertredingen.

2) Hiervoor genoten de hoofden van de gewestelijke besturen zekere emolumenten, onder den naam van cultuur-procenten, die oorzaak waren van eene groote ongelijkmatigheid in de bezoldiging dier ambtenaren, en tevens aanleiding gaven tot eene al te groote opdrijving van de gouvernements-cultures. De emolumenten zijn hun daarom ontnomen, terwijl eene meer gelijke bezoldiging vastgesteld is. Zie besluit van den G.-G. van 20 Januari 1866 (Ind. Stbl. n°. 6.) Hun inkomsten zijn sedert herzien bij besluit van den G.-G. van 23 Dec. 1900 (Ind. Stbl. n°. 335).

Sluiten