Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van de Nederlandsch-Indische geldmiddelen tot die van het moederland zijn veranderd.

De Memorie van Toelichting, behoorende bij het ontwerp van wet, waaruit de laatste wijziging der Indische comptabiliteitswet ') is voortgekomen, bevat een interessant overzicht, waarin men de ontwikkeling dier denkbeelden kan volgen. Achtereenvolgens worden namelijk kortelijks behandeld hoe de vaststelling van en de beschikking over het batig slot plaats greep vóór de totstandkoming der wet, de gedachtenwisseling over die totstandkoming zelve 2), en de verschillende pogingen, eerst om met de bijdrage-sluitpost te breken en daarvoor een bepaald bedrag in de plaats te stellen, en de rest voor Indië te besteden, vervolgens — na het ophouden der uitkeeringen — om de vergoeding te regelen voor de uitgaven van Nederland ten behoeve van Indië, nog later om voor de toekomst tot een stelsel van verrekening te geraken.

De Regeering zet daarna kort haar meening uiteen. Zij is van oordeel dat Nederland en Indië elk in zijn eigen uitgaven heeft te voorzien en op zijn eigen inkomsten rekenen moet, en voorts — dat Indische overschotten steeds ten bate van Indië moeten worden aangewend. Vervolgens behandelt zij de twee verschillende standpunten van hen die op wettelijke regeling der financieele verhouding tusschen Nederland en Indië aandringen. Eenerzijds wordt de noodzakelijkheid bepleit eener regeling voor de toekomst, anderzijds wordt hieraan de eisch vastgeknoopt van een algeheele afrekening sedert 1 Januari 1867, d. w. z. teruggaaf aan Indië van de door Nederland sedert dat tijdstip genoten millioenen en restitutie van uitgaven door Nederland in het belang van Indië gedaan.

Dit laatste standpunt wordt door de Regeering niet ingenomen. Zoodanige afrekening acht zij ten eenenmale onuitvoerbaar en niet vereenigbaar met eene practische politiek, die eischt rekening te houden met in vroegere perioden bestaan hebbende toestanden en destijds gehuldigde denkbeelden. Zij wijst er op, dat de uitkeering der bijdragen strookte met de vroeger heerschende opvattingen.

1) Bovengenoemde wet van 29 Juni 1903, Stbl. n°. 172. Zie Gedr. St. 1899—1900 n°. 177, 1900—1901 n». 40, (1901—1902 n°. 44), 1902—1903 n°. 6. De Memorie van Toelichting 177 n°. 3 is geteekend door den Min. v. Kol. Cremer.

2) Hieruit blijkt o. m. dat de bijdrage-post niet was het overschot van de Indische rekening, maar het geraamd voordeelig verschil tusschen de inkomsten en de uitgaven der Indische begrooting.

Sluiten