Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

b. De agrarische toestand.

Het is niet wel mogelijk, op te geven voor welk gedeelte de vruchtbare grond van Java of der overige eilanden in cultuur is gebracht; het staat echter vast, dat dit betrekkelijk gering is, en dat de landbouw en nijverheid voor eene groote uitbreiding vatbaar zijn.

Het Regeerings-reglement geeft aan den Gouverneur-Generaal de bevoegdheid, om gronden in huur uit te geven '). Daarvoor zijn de regelen vastgesteld bij Koninklijk besluit van 3 Juli 1856 (Ind. Stbl. n°. 64) 2). Volgens deze regelen mogen gronden op Java, die ter beschikking staan van het Gouvernement, en niet door de Inlanders ontgonnen zyn, of tot desa's behooren, aan particulieren in huur worden uitgegeven. Dit kan ook plaats hebben op de eilanden buiten Java. Wanneer het Gouvernement het voornemen heeft, tot de uitgifte over te gaan, of daartoe strekkende verzoeken zijn ingediend, wordt zoowel het een als het ander ter openbare kennis gebracht, ten einde de aandacht ook van andere belanghebbenden daarop te vestigen. De verhuring of uitgifte kan zonder machtiging des Konings niet voor langer dan twintig jaren plaats hebben, terwijl aanzoeken om verlenging, na afloop van dien termijn, evenals dit bij de eerste uitgifte geschiedt, ter openbare kennis worden gebracht. Op den gehuurden grond mogen alle producten verbouwd worden, die niet, zooals bijv. de papaver, bepaaldelijk verboden zijn. In elk huurcontract wordt bepaald of de vestiging eener blijvende bevolking op de gehuurde gronden wordt toegestaan, en zoo ja, op welke voorwaarden. Verder moet de huurder zich van arbeiders door vrije overeenkomsten voorzien, en worden hem hoegenaamd geene voorschotten verleend. Eindelijk mag hij zijne rechten gedurende zijn leven niet dan met toestemming van het Gouvernement aan een ander overdragen.

Met betrekking tot den huurschat maakt men onderscheid of de in huur uitgegevene gronden voor den aanplant van klapperboomen,

1) Reg.-regl. art. 62, 3e lid.

2) Gewijzigd en aangevuld bij K. K. B. B. van 7 Nov. 1856 (Ind. Stbl. 1857 n°. 13; 29 Oct. 1863 (Ind. Stbl. 1864 n°. 16); 25 Jan. 1877 (Ind. Stbl. n°. 70). Zie verder besluiten van den G.-G. van 2 Juli 1857 (Bijbl v. h. Ind. Stbl. n°. 245) en van 8 Juni 1862 (Ind. Stbl. n°. 56), gew. Ind. Stbl. 1865 n°. 108.

Sluiten