Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

werd medegedeeld, in bijzondere gevallen tegen schadeloosstelling ten behoeve van op hoog gezag ingevoerde cultures kunnen worden aangewezen (thans art. 62 lid 4, 5 en 6). Voorts behandelt deze wet de quaestie van den particulieren eigendom van den Inlander.

Volgens oude herkomsten heeft de inlandsche ontginner van woeste gronden een zeker recht op den door hem ontgonnen grond; doch de rechtsgevolgen zijn verschillend; hier heeft hij de bevoegdheid dien grond te verkoopen, te verhuren en bij uitersten wil er over te beschikken; ginds keert de grond na korteren of langeren tijd tot het communaal bezit terug. Maar een bepaald eigendomsrecht op den grond bezat hij niet. Op sommige plaatsen werd het individueel landbezit dan ook tegengewerkt, omdat het communaal bezit meer geschikt was voor het cultuurstelsel. Steeds werd van liberale zijde er op aangedrongen, den Inlander voor zijn bezit meer rechtszekerheid te geven, en de agrarische wet heeft aan dezen eisch voldaan door hem de gelegenheid te geven den eigendom te verkrijgen van grond, in erfelijk individueel gebruik door hem bezeten. Op aanvraag van den rechtmatigen bezitter kan hem de grond in eigendom worden afgestaan onder de noodige beperkingen ten aanzien van de verplichtingen jegens den lande en de gemeente en van de bevoegdheid tot verkoop aan niet-Inlanders. (Thans art. 62 lid 7).

Ten slotte bepaalt de wet, dat verhuur of in gebruikgeving van grond door Inlanders aan niet-Inlanders geschiedt volgens regels bij algemeene verordening te stellen. (Thans art. 62, achtste lid). ').

Het oorspronkelijke artikel 62 (lst0 en 2de lid) verbiedt nog aan den Gouverneur-Generaal gronden te verkoopen, doch zondert van dit verbod uit kleine stukken gronds, bestemd tot uitbreiding van steden en dorpen, en tot het oprichten van inrichtingen van nijverheid.

De hier geschetste regeling is in hoofdzaak uitgewerkt bij het Koninklijk besluit van 20 Juli 1870 (Ind. Stbl. n°. 118)2). Dit besluit stelt op den voorgrond, dat het beginsel gehandhaafd blijft, dat alle grond, waarop niet door anderen recht van eigendom wordt bewezen, domein van den Staat is. De nadere regeling van de vervanging van inlandsch erfelijk individueel bezit door eigendom wordt aan de Kroon voorbehouden 3). Deze eigendom is niet aan de bepalingen

1) Zie blz. 685 noot 1.

2) Laatst gewijzigd bij K. B. 13 Mei 1896 (Ind. Stbl. n°. 140).

3) Vgl. Ind. Stbl. 1872 n°. 117 en 1897 n°. 234.

Sluiten