Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Gouverneur-Generaal Van Rees besloot daarom een onderzoek te doen instellen (28 Dec. 1885). Dit onderzoek werd door verschillende ambtenaren voortgezet, waarvan de resultaten betreffende alle gewesten op Java en Madoera (met uitzondering van de Vorstenlanden) in 1892 in handen der Regeering waren. Door den heer F. Fokicens, die het laatst met de leiding belast was, zijn deze in een eind-résumé samengevat ')•

Inmiddels had men het excedent van het hoofdgeld, dat millioenen bedroeg, jarenlang in de schatkist laten vloeien, totdat in 1887 de toestand der inlandsche bevolking op Java tengevolge van de lage padierijzen en slechte koffieoogsten zoo treurig werd, dat zich stemmen in het moederland verhieven, welke eischten, dat niet langer het overschot door de schatkist zou worden genaast. Het gevolg hiervan was, dat op de Indische begrooting voor het volgende jaar een post gebracht werd van 2 millioen, te nemen van het excedent van vroegere jaren, om te besteden ten bate der heerendienstplichtigen, terwijl nadien een groot gedeelte van het excedent jaarlijks gebezigd werd om waterstaatswerken en wegen in vrijen arbeid in plaats van in heerendienst aan te leggen.

Evenwel, er bleef nog steeds jaarlijks een groote som over, welke niet besteed werd ten behoeve der dienstplichtige bevolking, maar tot stijving der schatkist diende, en, waar die gelden voor een deel den heerendienstplichtigen ten goede kwamen, was dit niet overeenkomstig de vroeger gedane belofte, dat het gewestelijk excedent van het hoofdgeld gewestelijk zou aangewend worden, maar het overschot bleef in een algemeene kas voor geheel Java en Madoera, waaruit nu en dan geput werd om hier en daar, waar het noodig was, werken in vrijen arbeid te laten verrichten.

De met het onderzoek belaste commissie trachtte nu hieraan een eind te maken door voor te stellen het hoofdgeld in den vervolge te laten in en te besteden voor het gewest, waar het was opgebracht. Een gewestelijke boekhouding zou van die belasting worden aangehouden, en de jaarlijksche overschotten zouden door den resident worden bewaard, totdat daarmede het een of ander werk in vrijen arbeid kon worden tot stand gebracht. Op die wijze kon het hoofdgeld tevens tot proef strekken voor decentralisatie van belastingen.

Naar aanleiding van dit voorstel werd de Koninklijke machtiging

1) Zie bladz. 690 noot 72. Het volgende is hieraan ontleend. Zie Derde gedeelte blz. 1 v. en 101.

Sluiten