Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van 11 Januari 1890 (n°. 8) geprovoceerd tot het geleidelijk in toepassing brengen van het beginsel, dat de opbrengst van het hoofdgeld voor heerendienstplichtigen op Java en Madoera zou worden gebezigd in het gewest, waar het was opgebracht.

Aanvankelijk paste de Indische Regeering het beginsel in zijn geheel toe. Niet alleen werden in een gewest die categorieën van heerendiensten afgeschaft, welker vervanging in vrijen arbeid binnen de grenzen van het bestaande hoofdgeld viel, maar ook werd hetgeen daarna overschoot ter beschikking gesteld van den betrokken resident, om, waar noodig, in het belang der heerendienstplichtige bevolking te worden besteed.

Spoedig echter kwam er ten opzichte van het laatste verandering. De daarbij bedoelde overschotten van verschillende gewesten werden wederom in een algemeene kas verzameld en gebruikt om in de tekorten aan hoofdgeld van andere residenties te voorzien, en verder voor verscheidene doeleinden gebezigd. Bij de Indische begrooting voor 1902 werd eindelijk een geheel nieuw beginsel aangenomen, n.1. dat het hoofdgeld behoort beschouwd te worden als een gewone belasting en niet meer als een equivalent van afgeschafte heerendiensten, in verband met de omstandigheid, dat voortaan een betrekkelijk aanzienlijk bedrag uit de schatkist voor afschaffing van heerendiensten zal gegeven worden, met de bedoeling om met de afschaffing van de nog overblijvende geleidelijk voort te gaan naarmate de middelen het toelaten.

Een tweede voorstel van de heerendienstcommissie, n.1. om ter verlichting van den druk der heerendiensten in den vervolge bij nieuw te maken bevloeiingswerken de primaire en secundaire leidingen in vrijen arbeid aan te leggen, had zoo goed als geen resultaat. Even weinig gelukkig was de commissie met haar voorstellen om de heerendiensten geheel of gedeeltelijk af te schaffen tegen verhooging van het hoofdgeld in sommige residenties.

De voorstellen der heerendienstcommissie betreffende de afschaffing van heerendiensten en de verhooging van het equivalent moesten nu worden omgewerkt, zoodanig, dat niet meer diensten voor afschaffing in aanmerking zouden worden gebracht dan het gewestelijk excedent van het hoofdgeld toeliet; afschaffing dus binnen de grens dier bestaande belasting zonder verhooging.

Deze en andere voorstellen van de heerendienstcommissie werden alle aangenomen en goedgekeurd, en wel:

1°. vaststelling afzonderlijk voor elk gewest (dan wel gedeelten ervan)

Sluiten