Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bedoeld, dat de wetgever, door zelf te regelen, 's Konings bevoegdheid tot regeling kan beperken, maar dan ook uitgesloten is opdracht van wetgeving aan eene andere macht, die de koninklijke bevoegdheid te niet doet1). Thans is, behoudens enkele uitdrukkelijk genoemde uitzonderingen deze bevoegdheid in het Reglement erkend.

Is eenmaal een verordening door de vaststelling van den Gouverneur tot stand gekomen, dan moet zij door hem onverwijld aan den Koning worden gezonden, die het recht heeft ze te vernietigen, indien zij in strijd is met de wet, met een koninklijk besluit, of met het algemeen belang. Hiervoor wordt, evenals ten aanzien van de vernietiging van een provinciaal of gemeentelijk besluit is bepaald, het hooren van den Raad van State gevorderd, terwijl het besluit zelf, dat de vernietiging inhoudt, met redenen omkleed moet zijn 3).

Na de ontvangst van het bericht, dat bij den Koning geen voornemen bestaat tot vernietiging, of na zes maanden na de afzending der verordening, zonder dat er bericht is dat de vernietiging heeft plaats gehad, of bij den Koning in overweging is, kondigt de Gouverneur haar af. Hij kan haar echter, indien naar zijn oordeel en dat van de meerderheid van den Raad van Bestuur spoed vereischt wordt, vroeger afkondigen en uitvoeren. 4).

Aan de Koloniale Staten is ook het recht van initiatief verleend, terwijl zij bovendien de bevoegdheid hebben, de belangen der kolonie rechtstreeks bij den Koning, bij de Staten-Generaal en bij den Gouverneur te behartigen 5).

Van niet minder gewicht is hunne werkzaamheid met betrekking tot de vaststelling van de begrooting voor de koloniale huishouding. Het is in het bijzonder hierdoor, dat de kolonie zich van hare kracht bewust worden en hare ontwikkeling bevorderen kan.

Op deze begrooting worden twee posten niet gebracht, nl. de jaarwedde van den Gouverneur, alsmede zijne verblijfkosten, en de

1) Zie Mem. v. Toel. Gedr. St. 1899-1899 193 n°. 4.

2) Reg. regl. art. 48. De uitzonderingen betreffen liet vaststellen deirekening, wanneer het Rijk geen bijdrage tot de kol. huishouding behoeft te geven (anders geschiedt dit bij de wet), het heffen van belastingen (hetgeen ook door de wet kan geschieden) en het aangaan van geldleeningen (hetgeen echter eveneens uit kracht van de wet kan geschieden).

3) Reg.-regl. art. 49,

4) Art. 60, ibid.

5) Artt. 101 en 103, ibid.

Sluiten