Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kosten van 's Rijks zee-en landmacht tot bescherming van de kolonie. Deze posten komen ten laste van de schatkist van het moederland '). Wat betreft de jaarwedde van den Gouverneur, merken wij op, dat de inrichting van het bestuur, zoo geheel verschillend van die van Nederlandsch-Indië, het noodzakelijk maakt, dat daarin op eene andere wyze voorzien worde. Immers is de Gouverneur de vertegenwoordiger des Konings, en het zou zijne waardigheid te kort doen, indien hij in dit opzicht afhankelijk ware van de Staten. Met betrekking tot de kosten van defensie, zegt de Memorie van Toel.: „ afhankelijk van het moederland en volkenrechtelijk daarmede éen, leeft de kolonie in vrede of voert zij oorlog met hem, met wien Nederland in vrede of oorlog verkeert. De eer der Nederlandsche vlag moet daar, evenzeer als in het Rijk in Europa, door de krijgsmacht van den Staat worden gehandhaafd, en het gedeelte dier krijgsmacht dat zich in de kolonie bevindt, ligt daar op gelijke wijze in bezetting als andere gedeelten garnizoen houden in Nederland."

Al de overige huishoudelijke uitgaven ten behoeve van den openbaren dienst in de kolonie worden zooveel mogelijk uit de koloniale middelen bestreden. De begrooting wordt door den Gouverneur, na den Raad van Bestuur gehoord te hebben, aan de Staten bij de opening hunner vergadering aangeboden. Door deze goedgekeurd, wordt zij door den Gouverneur voorloopig vastgesteld en afgekondigd, en inmiddels, evenals voor elke verordening is voorgeschreven, terstond met de noodige toelichtingen aan den Koning opgezonden >). Slechts in drie gevallen is voor de bekrachtiging van de begrooting de medewerking der wetgevende macht in het moederland een vereischte, nl. wanneer tot aanvulling van de koloniale middelen eene bijdrage uit 's Rijks schatkist wordt gevorderd, wanneer de Koning de begrooting, zoo als zij door de Koloniale Staten is vastgesteld, niet goedkeurt, en eindelijk, indien zij niet voor den 15en Juli van het jaar, waarin zij wordt aangeboden, is vastgesteld s).

Het eerste geval heeft geene nadere toelichting noodig; het spreekt van zeiven, dat het opperbestuur des Konings niet zoo verre gaat,

1) Reg.-regl. art. 107. Deze beide posten komen voor op Hoofdst. X (koloniën) der Staatsbegrootin^.

2) Artt. 109 v. ibid.

3) Art. 112, ibid.

Sluiten