Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nieuwe Kamers bepaald noodzakelijk? Is daarin niet een groot bezwaar voor het welslagen eener Grondwets-herziening gelegen?

Bij de alzoo nieuw gekozen Kamers wordt het voorstel, zooals het in de bovengenoemde wet is omschreven, door de Regeering ingediend, en aan de beraadslagingen onderworpen >). Volgens het ontwerp der Commissie van 17 Maart 1848, zouden deze beraadslagingen in eene vereenigde zitting der beide Kamers in dubbelen getale moeten plaats hebben en het oorspronkelijke regeeringsvoorstel nam die voorschriften over; alleen tengevolge van de opmerkingen van het Voorloopig Verslag, die vooral den omslag golden, waardoor eene herziening der Grondwet zou worden bemoeilijkt, werd de regeling gewijzigd.

In twee opzichten wijkt nu de te volgen behandeling in de StatenGeneraal af van de gewone. Vooreerst, terwijl volgens art. 106 der Grondwet alle besluiten met volstrekte meerderheid van stemmen genomen worden, worden voor de goedkeuring van een voorstel tot Grondwetsherziening twee derden der stemmen gevorderd *). In de tweede plaats houdt het recht van amendement op. „ De Grondwetgevende vergadering," zeide de commissie van 17 Maart 1848, „ neemt aan of wijst af, in zooverre onderscheidene veranderingen in éene wet zijn vervat, geheel of ten deele; maar zij heeft het recht van amendement niet, zoo min als dat om nieuwe voorstellen te doen. Hare roeping is, op de vraag aan het volk, of de ontwor-

1) Art. 195, 21' zinsnede. De nieuwe Kamers overwegen dat voorstel en kunnen niet dan met twee derden der uitgebrachte stemmen de aan haar overeenkomstig voornoemde wet voorgestelde verandering aannemen.

2) Met betrekking tot het vereischte van s/s der stemmen voor de aanneming merkten sommige leden in het Voorl. Versl. o. i. terecht op: „dat zulk eene regeling altijd de zegepraal der minderheid met zich bracht of mogelijk maakte" (Handel, t. a. p. blz. 489). In het Eindverslag maakten eenige leden „bezwaar om de aanneming van het voorstel niet dan met twee derden der uitgebrachte stemmen toe te laten, en hadden daarbij vooral het oog op de Eerste Kamer, bij welke, volgens deze bepaling, eene uit een betrekkelijk gering aantal leden samengestelde minderheid, de vaststelling van noodzakelijk geworden verandering in de Grondwet zou kunnen tegenhouden" (Hand. t. a. p. blz. 607.)

Uit dit laatste blijkt dus dat de bedoeling is geweest, dat iedere Kamer afzonderlijk zou beraadslagen, en dat er toen niet gedacht is aan eene vereenigde zitting.

Sluiten