Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„De Ministers zijn individueel verantwoordelijk, maar die verantwoordelijkheid strekt zich voor zooveel zij staatkundig is niet slechts uit tot hunne individueele handelingen als hoofden van hunne ministerieele departementen, maar ook tot handhaving van het algemeen regeeringsstelsel, dat bij het Ministerie gevolgd wordt."

Dit is de stelling van Groen; een homogeen Ministerie. Men herinnert zich de groote bekende interpellatie van 25 Juli 1849, en ook de tegenwoordige Minister van Binnenlandsche Zaken, een getrouw volger van Groen, heeft zich dikwijls in denzelfden zin uitgelaten.

Wat laat nu de Bosch Kemper daarop ten slotte volgen? Het is wellicht goed, dat ik er aan herinner , dat deze uitgave, vermeerderd en verbeterd, is van het jaar 1865.

„De homogeniteit moet echter in een gezonden zin worden opgevat. Zij is slechts schijn, wanneer men de homogeniteit zoekt in zulk een uitstekend hoofd, dat alle mede-Ministers slechts gedienstige, onzelfstandige dienaren zijn, rondom den eenen hoofdminister geschaard."

Ziedaar de meening van een professor in het staatsrecht.

Ik kom aan het antwoord van de Regeering.

„De stelling dat de raad van Ministers zou zijn een College van Staat" zoo lezen wij daarin — ik zou liever zeggen een staatscollege -- „komt min juist voor. Een College van Staat moet zijn grondslag in de Grondwet vinden en onze Grondwet zwijgt van zoodanig college geheel. Wat in art. 38 der Grondwet in één bepaald geval aan de hoofden der minsterieele Departementen wordt voorgeschreven, brengt hierin geen verandering."

Ik sta niet op het standpunt van hen die beweren, dat de Grondwet den Ministerraad heeft ingesteld, maar ik ga ook niet zoover om te zeggen, dat de Grondwet den Raad van Ministers niet kent, want dan zou zij er in art. 88 niet van spreken. Professor Buus is meer het gevoelen van de Regeering toegedaan. Maar daartegen stelt hij op een volgende bladzijde zelf de vraag: Waar staat voorgeschreven, dat alle ambtelijke instellingen op een grondwettelijke of een wettelijke basis moeten berusten?

De heer de Savornin Lohman zegt in zijn bekend standaardwerk dat onlangs is uitgekomen: de ambtenaren worden benoemd door den Koning. Het recht van benoeming vloeit uit 's Konings ambt zelf voort.

Ware het zoo niet, dan zou het recht in de lucht hangen, ver-

Sluiten