Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

werpen zijn tot wet verheven als: wet van den 9den Juni 1902, Stbl. n°. 86, tot regeling van de bevordering, het ontslag en het op pensioen stellen der militaire officieren bij de Zeemacht (korte titel: Bevorderingswet voor de zeemacht 1902); wet van den 9den Juni 1902, Stbl. n°. 87, tot regeling van de militaire pensioenen bij de Zeemacht (korte titel: Pensioenwet voor de zeemacht 1902); wet van den 9den Juni 1902, Stbl. n°. 89, tot regeling van de bevordering, het ontslag, het op non activiteit en het op pensioen stellen der militaire officieren bij de Landmacht (korte titel: Bevorderingswet voor de landmacht 1902); wet van den 9den Juni 1902, Stbl. n°. 90, tot regeling van de militaire pensioenen bij de Landmacht (korte titel: Pensioenwet voor de landmacht 1902).

Hierbij valt op te merken, dat de beide pensioenwetten zoowel aan officieren, onderofficieren en mindere militairen als aan hunne weduwen en weezen, volgens de daaromtrent gestelde regelen recht op pensioen verzekeren.

Bij Koninklijk besluit van 9 Februari 1903, Stbl. n°. 71, is de inwerkingtreding dezer wetten bepaald op 1 Maart 1908. Uitvoeringsbesluiten zijn vastgesteld bij K. B. 5 Jan. 1903, S. 2, houdende regelen voor het militair geneeskundig onderzoek, bedoeld in de Pensioens- en Bevorderingswetten voor de Zee- en de Landmacht 1902; K. B. 20 Jan. 1908, S. 35, houdende regelen voor het onderzoek naar de onbekwaamheid of ongeschiktheid van officieren deilandmacht, bedoeld in artikel 39, sub. 2°. d der Bevorderingswet voor de landmacht 1903; en 21 Jan. 1903, S. 36 idem bedoeld in artikel 28, sub 2°. d der Bevorderingswet voor de zeemacht 1902; K. B. 2 Feb. 1903, S. 64, houdende vastelling van een reglement betreffende de raden van onderzoek en van appèl, bedoeld in de Bevorderingswet voor de zeemacht 1902; en 2 Feb. 1902, S. 65 idem voor de landmacht; K. B. 3 Febr. 1903, S. 67, tot regeling der betaalbaarstelling van de pensioenen en onderstanden, bedoeld bij artikel 46 der pensioenwet voor de zeemacht 1902 en bij artikel 44 der pensioenwet voor de Landmacht 1902.

Diplomatieke dienst en consulaatwezen (bladzn. 150 v.)

Bladz. 150 noot 2. Het hiergenoemde K. B. van 28 Aug. 188!, S. 158 is aangevuld bij K. B. van 11 Mei 1903, S. 139, waarbij wordt bepaald, dat de diplomatieke ambtenaren ten allen tijde door de Kroon ter beschikking kunnen worden gesteld, terwijl zij voorts verplicht zullen zijn bij het bereiken van den 65-jarigen leeftijd

Sluiten