Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wijziging en aanvulling der wet tot regeling van het lager onderwijs, als onderdeel van een samenstel van voorstellen, die de strekking hebben Rijkspensioen te verzekeren aan verschillende categoriOn van onderwijzend personeel, hun weduwen en weezen. (Gedr. St. 1U03— 1904 n». 65.)

Bladz. 432 noot 1. In pl. v. „S. 237" lees: „S. 231".

Middelbaar Onderwijs.

Bladz. 435, reg. 5 v. o. env.: ..De benaming middelbaar onderwijs" enz. In de Memorie van Toelichting tot het hieronder te vermelden ontwerp van wet tot wijziging van de wet op het hooger onderwijs zegt Minister Kuvper: „Thans voldoet deze onderscheiding niet meer, en de wetgever bezit krachtens dezelfde delegatie, waarvan Thorbecke voor het verwezenlijken zijner denkbeelden gebruik maakte, het recht een andere, met den eisch des tijds overeenkomende opvatting voor de zijne in de plaats te stellen. Het lager onderwijs om beschaafde menschen te maken, het middelbaar onderwijs om nijveren te kweeken, en het hooger onderwijs om liet voortbestaan van den geleerden stand te verzekeren, is een indeeling die haren tijd heeft gehad. De beschaving eindigt niet op dertienjarigen leeftijd, maar begint dan eerst. Tot de nij veren behooren volstrekt niet alleen de heeren met hoogere burgerschooldiploma, maar ook de werklieden en neringdoenden. En de geleerde stand, uit de dagen van het humanisme afkomstig, moet allengs voor den ivetenschappelijken stand in breeden zin, den vlag strijken. Ook de naam van middelbaar komt bij de opvatting door Thorbecke voorgestaan, niet tot zijn recht. Middelbaar is wel ter dege datgeen, wat tusschen het lager en hooger naar rang van zekere orde in ligt. Tot juister inzicht komt men derhalve dan eerst, zoo men deze indeeling van het onderwijs in drie groepen evenwijdig laat loopen met de indeeling in drie groepen, die het volksleven zelf aanbiedt. Er is een breede groep in de maatschappij, aan wie zekere voorhanden kennis moet worden ingeprent, ten einde haar in staat te stellen onder leiding van anderen haar maatschappelijke taak te vervullen. Er is een tweede groep, veel kleiner in aantal, die eveneens het door anderen gevondene in zich opneemt, maar in die mate en op zulk een wijze in zich moet opnemen, dat ze zelfstandig en tevens ter leiding van anderen voor haar maatschappelijke taak bekwaam is. Er is een derde groep, van zeer klein aantal, die niet alleen de voorhanden kennis in zich opneemt,

Sluiten