Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wet. ingediend houdende wettelijke bepalingen betreffende loterijen. Gedr. St. 1902—1903 n°. 213, 1903—1904 n. 37). Doel van de voorgestelde regeling is: „Vooreerst bescherming van het individu tegen bedrog en misleiding bij loterijen....

In de tweede plaats, bescherming van het individu tegen baatzuchtige, schoon niet met bedrog of misleiding gepaard gaande, exploitatie van zijn speellust.

En in de derde plaats, tempering van dien speellust zelf bij het individu, ook als gevolg van de vermindering en wegneming van de daartoe aangeboden gelegenheid."

Waterstaat. Bladz. 455 v.

Inrichting van den Rijkswaterstaatdienst.

Bladz. 463 v. noot 2. Ter uitvoering van genoemd artikel 5 is thans de inrichting van den Rijkswaterstaatsdienst vastgesteld bij K. B. 3 Juni 1903, S. 151.

Volgens dit besluit omvat de dienst: 1°. het verzamelen van gegevens voor de nauwkeurige kennis van den waterstaatstoestand des lands („algemeene dienst"); 2°. aanleg, beheer en onderhoud van en toezicht over waterstaatswerken; 3°. het oppertoezicht over alles wat den Waterstaat betreft; 4°. de zorg voor de naleving deiwetten en verordeningen betreffende den Waterstaat; 5°. in het algemeen alle waterstaatsaangelegenheden van Rijksbelang.

De Rijkswaterstaatsdienst betreffende de spoorwegen en mijnen is, evenals de dienst der landsgebouwen, onderwerp van afzonderlijke regeling.

Er zijn: één hoofdinspectie, twee inspectiën en elf directiën.Deze laatste omvatten: de algemeene dienst (eerste), de groote rivieren met uitzondering van de Maas boven de grensscheiding van Limburg en Gelderland (tweede en derde)-, Groningen en Friesland (vierde); Drenthe en Overijsel (vijfde); Gelderland en Utrecht {zesde)', Noordbrabant (zevende); Limburg met het bovenvermelde deel der Maas (achtste)-, Noordholland (negende); Zuidholland (tiende); Zeeland {elfde).

De hoofdinspectie omvat het algemeen beleid en toezicht betreffende den dienst en is opgedragen aan een hoofdinspecteur-generaal van den Rijkswaterstaat, door wien bovendien het onmiddellijk toezicht op de eerste directie wordt uitgeoefend. Tusschen de beide inspectiën is verdeeld het onmiddellijk toezicht op de overige directiën, opgedragen aan een inspecteur-generaal van den Rijkswaterstaat. Aan het hoofd der directiën staan hoofdingenieurs-directeuren, waarvan er

Sluiten