Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bladz. 503. Ten slotte maken wij hier nog melding van het Koninklijk Meteorologisch Instituut, waarvan de werkzaamheden voor een groot deel voornamelijk voor de scheepvaart van belang zijn. De dienst van het Instituut omvat n.1.: 1°. het verrichten, verzamelen en bewerken van weerkundige, magnetische en seismologische waarnemingen aan het observatorium te de Bildt; 2°. het bevorderen, verzamelen en bewerken van waarnemingen, elders hier te lande verricht; 3°. het bevorderen, verzamelen en bewerken van waarnemingen ter zee; 4°. het zenden van waarschuwingen voor vermoedelijk op de Nederlandsche kunst te verwachten stormen, aan de stations, welke daartoe door de Ministers van Waterstaat, Handel en Nijverheid en van Marine, zijn aangewezen; 5°. het verschaffen van inlichtingen aan reeders, gezagvoerders en stuurlieden en andere belanghebbenden bij de zeevaart, alsmede het bijwerken van zeekaarten; 6°. het verifieeren van, en het adviseeren omtrent instrumenten betrekking hebbende op meteorologie, aardmagnetisme en scheepvaart; 7°. het onderzoeken van scheepsseinlantaarns, waarvoor certificaten van deugdelijkheid worden gevraagd en het afgeven van zulke certificaten, in den vorm door den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid vastgesteld, wanneer de lantaarns voldoen aan de eischen door de Kroon, gehoord den Raad van State, gesteld.

Tot het Instituut, dat bestaat uit eene afdeeling -waarnemingen te land", eene afdeeling „waarnemingen ter zee" en eene afdeeling „magnetische en seismologische waarnemingen", behooren voorts de filiaalinrichtingen te Amsterdam en te Rotterdam, bijzonder ten doel hebbende dagelijks vereischte gegevens te verschaffen aan de scheepvaart, en de stations voor meteorologische waarnemingen op de door den Minister van W., H. en N. aangewezen plaatsen van het land gevestigd. K. B. 19 Juni 1899, S. 110, gew. 21 Maart 190L', S. 47.

Nederlandsche Bank, bladz. 504 v.

Den 31sten December 1903, Stbl. n°. 335, is tot stand gekomen een wet tot verlenging en wijziging van het aan de Nederlandsche Bank verleende octrooi. Bij deze wet is het tijdperk, waarvoor de Bank gerechtigd is als circulatiebank werkzaam te zijn, verlengd tot en met den 31s,en Maart 1919, en tevens bepaald, dat dit tijdperk, tenzij door de Kroon of door de Bank door opzegging van ongeneigdheid tot die verlenging blijk zij gegeven, geacht wordt telkens met één' jaar verlengd te zijn.

Sluiten