Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Treysa in Hessen, Nicolaas Zeil (waarschijnlijk een zoon van den bekenden Lutherschen predikant van Straatsburg). Hoewel ongaarne, wil de gemeente haren predikant voor een half jaar afstaan '). Verder zond de Landgraaf aan den Prins een exemplaar van de „Loei communes" van Melanchton, dat hij onder de nalatenschap van zijn vader gevonden had. Hij hoopt, dat Oranje dat boek vlijtig zal lezen en overwegen: dat zal strekken tot zijn zieleheil en zaligheid 8).

De staatkundige geschiedenis van die dagen is welbekend. De Prins, niet van plan zijn verdere dagen in rust door te brengen, bracht verschillende legers op de been, trouw geholpen door zijn broeders. En ook na de nederlaag van Lodewijk bij Jemmingen bleef hij vol vertrouwen. „Ik ben besloten met Gods hulp voort te gaan" 8). Dit geloof was nu zijn persoonlijk eigendom geworden en hield hem staande in de moeilijkheden, die nog volgen moesten. Na de verovering van Haarlem door de Spanjaarden sprak hij deze merkwaardige woorden4): „Aleer wij deze zaak tot bescherming der Christenen en „andere verdrukten in dit land zijn begonnen, hebben „wij met den alleroppersten Potentaat der Potentaten zulk „een vast verbond gesloten, dat wij geheel verzekerd zijn, „dat wij en al degenen, die daarop vertrouwen door Zijn „geweldige en machtige hand ten laatste nog ontzet zul„len worden".

Scheen het aanvankelijk, dat Oranje een aanhanger van de Augsburgsche Confessie, dat Palladium van het gansche Lutherdom worden zou, — ja, was men zelfs bevreesd, dat hij die zou opdringen aan de Nederlanden — aan die vrees maakte hij voorgoed een einde, door in Octo-

1) Groen, Archives, P. III, p. 101 : Brief van 17 Juni 1567.

2) Groen, Archives, P. III, p. 107: Brief van 22 Juni 1567.

3) Groen, Archives, P. III, p. 277 : Brief van 31 Juli 1568 uit Dillenburg geschreven aan Lodewijk van Nassau: Et suis encoires délibéré avecq 1'ayde de Dieu de pousser oultre.

4) P. Bor, Nederlantsche Oorloghen, Leiden en Amsterdam, 1621. Zesde Boek, folio 328. Antwoord van den Prins aan Sonoy en zijn Baad.

Sluiten