Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

overgebracht. Dat had hij gedaan met goede hoop op welslagen, want, zoo schreef hij aan v. d. Heiden terug, te Middelburg had Oranje hem gezegd, dat zij, die den eed weigerden, de stad moesten verlaten. Maar nu was de Prins van meening veranderd. Zoo'n bevel zou, naar hij meende, de landen weer opnieuw in beroering brengen, die pas door de Pacificatie van Gent eenigszins waren tot rust gebracht. Bovendien zouden de Staten niet dulden, dat zulk een wet werd uitgevaardigd, die in strijd was met het belang van den staat. Marnix had hierop gezegd, dat mannen, die den band der menschelijke samenleving, den eed, verbreken, toch konden verjaagd worden, dat zelfs een besluit ter hunner gunste goddeloos moet genoemd worden, een gevaar voor kerk en staat. Maar de Prins had hem scherp geantwoord, dat het „ja" gelijk zou staan met een eed. Men moest daar nu maar verder niet op aandringen, zei de Prins, want dan erkende men daardoor, dat ook de Paus in zijn recht was, toen hij ons wilde dwingen een godsdienst aan te nemen, die in strijd was met ons geweten. Kortom, zegt Aldegonde in zijn brief, bij den Prins kunnen we niets uitrichten. Toch is Marnix zich niet bewust, iets verkeerds te doen. Geen „nieuwe monnikerij" — geen heerschapppij voeren over 't geloof! Alleen wat de Bijbel verwerpt, verwerpt ook hij. Overigens is hij voor de christelijke vrijheid ').

1) Cf. ook Groen, Archives, P. III, p. 412. Vergelijk echter wat Marnix zegt van de Doopsgezinden in zijn „Ondersoeckinghe en gronde„lijcke wederlegginge der Geestdrijuische Leere, aengaende het geschreuene Woirt Godes etc.", 's-Gravenhage, Aelbr. Heyndrickszoon, 1597, blz. 117 recto: „Heden ten dage de Doopsgezinde, roepen eewelyck het woirt is vleesch geworden, meynende dat vleesch te werden, noodzakelick meebrengt, dat het woirt zijne goddelijcke nature in vleesch zoude verandert hebben, ende of mense met hondert getuygenisse uyt der schrift ouerrede, dat de selue Christus Godes Sone gebleuen is, ende niettemin heeft het saet Abrahae aengenomen, en is een Sone des Menschen geworden. Sy slaen het al in den wint, ende en weten anders niet te roepen, dan dat het woirt vleesch geworden is. Desgelijcken als sy vanden Eedt handelen, men hoirt anders niet dan dese woirden: Ghy en sult geenssins sweiren. Ende leyt hun te voren het gene, datter

Sluiten