Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

weggelaten: „Sunt praeterea ') aliae eiusdem epistolae ad „pios homines missae, summae consolationis plenissimae, „quas, ut prolixitatem euitaremus, huic libro minime op„portunam, omisimus. Reliquum est, ut felicissimum eius „exitum ac genus mortis, testimoniis hominum certissi„morum approbatum, demonstremus". Dit kon Yan Haemstede niet in dien vorm overnemen, tenzij hij zelf ook die stukken voor zich had gehad. Hij spreekt dan ook slechts van hun bestaan.

Verder is ook het verhaal van de terechtstelling, zoo geroemd om zijn vorm, vertaald uit Crespin.

Het zal duidelijk zijn dat wij niet mee kunuen gaan met Sepp, die op blz. 28 van zijn „Geschiedkundige Nasporingen", II, zegt, dat het geen twijfel lijdt „of Crespin en Van Haemstede hebben één exemplaar gebruikt van een opstel, waarin de lotgevallen van Godefroy van Hameele geschetst zijn". Dit grondt hij dan op de groote overeenkomst. Dat Sepp deze verklaring van de woordelijke overeenkomst aanneemt, vloeit voort uit de fout dat hij de editie van 1566 van Van Haemstede's werk gebruikte. Het is zeker dat Crespin deze editie gekend heeft en zoo was er dus van Sepp's standpunt evenveel voor te zeggen dat Crespin van Van Haemstede, als dat Van Haemstede van Crespin overgenomen had — hij verklaart dit dan door een gemeenschappelijke bron aan te nemen. Voor zulk een besliste uiting had hij echter wat steviger argumenten moeten aanvoeren. Zelf verklaart hij op een andere plaats (blz. 41) dergelijke gevallen van groote overeenkomst op de door mij hier voorgestane wijze.

Wij hebben de kwestie hiermee echter nog slechts verplaatst. Wat waren dan Crespin's bronnen voor de behandeling van dit onderwerp in zijn eerste uitgave? Hiervan kan natuurlijk niets met zekerheid gezegd worden. Het is echter waarschijnlijk, dat van den meervermelden brief volgaarne een afschrift werd afgestaan aan iemand die dit gebruiken wilde voor zjjn martelaarsboeken. Crespin

1) Behalve de brief aan de rechters, die ook Van Haemstede noemt.

Sluiten