Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Meer tegen de uiterlijkheden, als de symbolen van den godsdienst, de leefwijze der priesters, dan tegen het innerlijke wezen der Kerk, waaruit al het booze voortkwam en gevoed werd. Dit laatste werd eerst aangetast toen mannen als Wessel Gansfort en zijn vriend Joh. van Wezel meer principiëel den strijd aanvaardden tegen de verdorven Kerk. Zij zagen het in, dat al die wantoestanden de onvermijdelijke gevolgen waren van de noodlottige beginsels van gebondenheid en vormelijkheid en van 't alles decreteerende gezag der geestelijk-doode Kerk.

Wessel'), de Groninger theoloog, wiens befaamde geleerdheid hem den bijnaam van „Lux Mundi" deed verwerven, trad op tegen al 't uiterlijk-doode van de religie en verhief haar tot de zaak des harten. Niemand voor hem had dit zoo beslist uitgesproken. Hierin verschilt hij van al zijn voorgangers. Hij heeft de rechten van het individu gehandhaafd, verklaard tegenstander als hij was van de priester-heerschappij en van het bijgeloof. Tegen Aristoteles 2), den afgod der Middeleeuwen slingert hij zijn ban, voor de Platonische idee zoekt hij weer bij zijn leerlingen een plaats te winnen3). „Geen uiterlijke boete, als opus operatum, neen, maar de innerlijke deemoed des harten is aangenaam bij God". Het goed recht van vasten en feestdagen, door priesters ingesteld, betwistte hij. Boven twijfel stelde hij de Schrift, de bron der ware Godskennis. Met Paulus sloot hij alle roemen op werken uit. En de sacramenten 4), ze zijn hem slechts uitingen, hulpmiddelen van een werkzaam geloof. Met recht kunnen wij hem den

1) Zie voor 't vervolg: Farrago // reru Theologicarum uberrima doijctissimo viro Wesselo Gro ningensi auctore. Het werk is gedrukt te Bazel in 1522 bij Adamus Petri. Een exemplaar is te vinden op de bibliotheek te Deventer. Deze „Farrago" werd herhaald en vermeerderd in: M. Wesseli Gansfortii Groningensis opera, Groningen, 1614. Vergl. Ullman, Joh annex Wessel, een voorganger van Luther, vert. door W. N. Munting, Leiden 1835.

2) Whartoni Appendix ad Guill. Cave, Hixtoria Litteraria, p. 154.

3) Farrago, p. 62 sqq.; in Wesseli Gansfortii opp., p. 771—809.

4) Zie in de Opera: De Sacramento Eucharistiae et audienda Missa, p. 655.

Sluiten