Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van wien men langen tijd niets dan den naam kende, iets naders te kunnen mededeelen. Het betreft Johannes van Amsterdam. Onder de weinige vermaarde mannen, welke die stad in haar eerste opkomst heeft opgeleverd, noemt Wagenaar1): „Johannes van Amsterdam, een leerling van Doctor Wessel van Gansfort," van welken laatsten hij dan veel geleerdheid gaat vertellen, om tot de conclusie te komen: „Welke vorderingen onze Amsterdammer, onder zulk een' Meester, gemaakt hebbe. is, onzes weetens, nergens aangeteekend". Dan vermeldt hij een brief van hem, in Wessel's werken opgenomen, om te besluiten: „Andere blijken van geleerdheid of bekwaamheid zijn mij niet voorgekomen". Pontanus s) weet in zijne beschrijving van Amsterdam ook niet meer te berichten, dan dat hij beroemd werd omstreeks het sterfjaar van Wessel, doch deze vermaardheid staaft hij alleen met 't feit, dat hij zulk een groot man tot leermeester had. En de schrijver van „De Historie der Reformatie in de Nederlanden"8) sluit zich angstvallig bij Pontanus aan, ook slechts dien eenen bewusten brief vermeldende. Laat ons deze reeks van „testimonia nescientiae" besluiten met de laatste woorden van het ten deele onjuiste artikeltje, dat Glasius aangaande onzen Johannes ten beste gaf4): „Van 's mans overige lotgevallen is ons niets merkwaardigs bekend".

Eerst beantwoorden wij de vraag: Wat weten wij uit de tot dusver bekende bronnen van dezen discipel van Gansfort ?

Twee brieven staan ons hiervoor ten dienste, in Wessels werken te vinden. De eene s) is van den leeraar aan zijn

1) J. Wagenaar, Beschrijving van Amsterdam, Amsterdam 1767 Dl. II, blz. 189.

2) Pontanus, Rerum et urbis Amstelodamensium historia, Amsterdam 1611, p. 236.

3) G. Brandt, Historie der Reformatie in de Nederlanden, Amsterdam 1670, 4», Dl. I, blz. 56.

4) B. Glasius, Biographisch Woordenboek van Nederlandsche Godgeleerden, 's Hertogenbosch 1851, Dl. I, blz. 47.

5) Zie Wesseli Opera, p. 863.

Sluiten