Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

leerling [waar Pontanus en de anderen, die hem naschrijven, de overige vriendschappelijke en vertrouwelijke epistels willen zoeken, is mij een raadsel], de andere') van den leerling aan Bernard van Meppe, den procurator van Zilöe, na den dood van Gansfort geschreven.

Wessel schrijft aan Johannes over den ijver, te betoonen bij 't zoeken der waarheid en over de vrucht van den strijd in haar worstelperk. Hij spreekt hem aan als „dulcissime mi Johannes", 'tgeen dus wijst op zekere intimiteit. De schrijver hunkert er naar met ontwikkelde lieden in 't strijdperk der waarheid te treden, waarin men, 'tzij overwinnaar, 't zij overwonnene, steeds wast en toeneemt in de vrijheid van het kindschap Gods. „Dit is de strijd, waarvan Jezus geleerd heeft: Strijd om in te gaan. Laat ons dus strijdende, zooals wij begonnen zijn, naar waarheid streven". Hij vermaant hem en allen, die met Johannes z ij n, pal te staan, want hij vertrouwt, dat, waar twee of drie verzameld zijn om waarheid te zoeken, de waarheid en 't leven in hun midden is. „Kom daarom," zoo gaat hij voort, „maar vaak met mij hier op den Agnesberg strijden". Hij eindigt met de levendige woorden: „Eet, kauw, proef, onderzoek telkens en telkens. Age, vive, vale". Wij zien dus, dat Wessel spreekt tot een, van wien hij zich vaderlijken raadgever toont, die niet zoo ver van Zwolle afwoont, die bij ervaring den strijd naar waarheid kent, gevaar loopt te versagen en reeds omringd is door een aantal geestverwanten.

Den tweeden brief schrijft Johannes, zooals wij zagen, aan Bernard van Meppe, die toen procurator was van 't Boheemsche klooster Zilöe, waar de leeringen van Huss vele aanhangers hadden gevonden. De reden van het schrijven was de volgende: De Kloostervoogd had ten onrechte uit een brief van Wessel opgemaakt, dat deze niet alleen de kerkelijke misbruiken van het gebed voor de afgestorvenen verwierp, maar dit gebed in het alge-

1) In de Farrago, p. 125 ssq.; in Wesseli Opera, p. 917.

Sluiten