Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Men mag dus bidden voor levenden en dooden, maar 't einde des gebeds zij: „Uw wil geschiede gelijk in den hemel, alzoo ook op de aarde". Dat wij dagelijks bidden, volgens kerkelijke gewoonte: Geef hun de eeuwige rust, Heer, en laat het voortdurend licht hen beschijnen, vind ik dus volkomen in overeenstemming met Wessels wensch: „Bid slechts voor mij, dat ik door de zonne der gerechtigheid beschenen word, want wat is eeuwig licht anders dan geest der waarheid."

Wat besluiten wij dus uit dit epistel?

Johannes deelt volkomen de meening van zijn praeceptor, ja hij kent aan diens woorden een volstrekte autoriteit toe. Hij zweert werkelijk „ad verba magistri" en keurt een kerkelijke gewoonte goed, omdat zij met Wessel's begeerte overeenstemt. Een zelfstandige geest schijnt hij dus nog niet, ofschoon ook hij er naar streeft aan de beteekenis der sacramenten meer diepte te geven, leven te brengen in doode vormen en de gansche godsdienst innerlijk op te vatten als een zaak des harten. Jaar en plaats van afzending van deze brieven zijn niet bekend.

„Yan 's mans lotgevallen is ons verder niets meer bekend", schreef Glasius, en terecht. Slechts deze twee brieven spraken van hem. Thans echter, is eenig meer licht over hem ontstoken. In een der portefeuilles van Papenbroeck, berustend bij de Leidsche Universiteitsbibliotheek, is een brief gevonden, waarover ik verder ga handelen '). Hij dateert van 18 Mei 1495 en is gezonden door den rector van de Leuvensche hoogeschool aan den magistraat van Utrecht. „Hoogmogende, aanzienlijke en hooggeachte belijders van 't rechte geloof," zoo luidt de aanhef, „zijn allen gehouden de kerkelijke en apostolische opdrachten te eerbiedigen, te meer zij, die ook onder tijdelijk recht van de Kerk bewind voeren en over anderen heerschen. Wij verwonderen er ons dus zeer over, dat in een

1) Afgedrukt in de Bijlage, hierachter, blz. 90.

Sluiten