Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

al doordat Hamilton geen boeken had vervaardigd, was er van zijn richting niet veel meer bekend dan dat hij een Anglikaansch priester was geweest, wat waarschijnlijk als een onvoldoende aanbeveling gold. De Anglikaansche belijdenis was nauw verwant aan de Gereformeerde, doch de Engelsche protestanten der hervormingseeuw hadden gestreefd naar een „algemeene, een hervormd-katholieke kerken na het tot stand komen van de belijdenis bleken elementen van zeer onderscheiden aard in haren schoot bijeenvergaderd te zijn.

Wat Hamilton betreft, hij zette schrijvende aan Rivet zijn gevoelen uiteen') opdat blijken zou, dat zij eenes geestes waren. Achtereenvolgens komen de punten ter sprake, die Rivet aangeroerd had. De Christelijke leer moet verdedigd worden tegen „novatores", die dwalingen verkondigen: Frederik Spanheim wordt geprezen om het plan, dat hij had opgevat een boek tegen hen uit te geven *). De uitverkiezing tot 't eeuwige leven staat vast, ook 'smenschen roeping tot geloof, tot rechtvaardig- en heiligmaking en tot volharding; deze zijn Gods vrije genadegaven, die niet in de macht van den mensch zijn om te worden genomen, maar ook niet wederstaan kunnen worden. De roeping gaat steeds aan het geloof vooraf, zooals Augustinus dat leerde; de geloovigen zijn dus uitverkoren ópdat zij zullen gelooven, niet ómdat zij geloofden. Hamilton onderscheidt tweeërlei genade, een „gratia sufficiens" en een „gratia efficax", hoewel hij deze onderscheiding niet in de Schriften vindt. De eerste was die, welke Adam had en waardoor hij altijd gelukkig had' kunnen blijven indien hij slechts den wil er toe had gehad. Dezen had hij echter niet noodwendig, daar hij de „gratia efficax" miste, welke gemaakt zou hebben, dat hij niet anders kon dan willen. Van die eerste genade bestaat nog een overschot in den vrijen wil. Ook is al het goede er

4) Archibaldus Cassellensis Riveto, hierachter, blz. 114. 2) Vermoedelijk is dit plan ten uitvoer gebracht in zijn Exercitationes, de gratia universali, Leyde, 1646, 3 vol. 8°.

Sluiten