Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I.

VERDACHTE ADEMTOCHTEN.

Pulcherrima virgo, sed anima piitet.

Het was bar geweest.

Maandenlang hadden Hagenaars en Delvenaren zich dood geërgerd. Aan de luchtverpestende grachtenonreinheid.

En die ergernis gaf zich lucht. In gepruttel. In persopstellen.

Ten slotte: in de Kamer.

De Tweede, wel te verstaan.

Daar bracht de afgevaardigde der Prinsenstad Mr. II. A. van de Velde, in de zittinar van 11 November 1S97 de „open riolen" ter sprake. Hij noemde ze walgelijk, in een goed geordcnden staat niet tehuis hoorend.

Zoowel binnen als buiten de Kamer waren er, die met de interpellatie-van de Velde een loopje namen. Zulke toestanden walgelijk te noemen: dat ging best. Zij waren accoord. Maar den „welgeordenden staat" er bij te halen, en dan die plechtige toon, waar het toch niets anders gold dan eene hygienische quaestie, dit vonden zij grappig, of neen: eenigszins misplaatst.

Blijkbaar wordt in parlementaire-en perskringen de meening gehuldigd, dat zuivering der staatkundige atmosfeer vóór moet gaan. In theorie is die meening volkomen juist. Op de moreele orde dient allereerst gelet. Bestond die orde, er zou geen verwaarloozing van de taak der waterschaps- en gemeentebesturen

1

Sluiten