Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waar te nemen, bijgevolg ook geen stank, geen verpestende, uit de waterwegen opstijgende dampen te bespeuren zijn!

Daar 't echter nu eenmaal met de moreele orde ten onzent zoo gesteld is, dat de sociale bestanddeelen als droog zand aan elkaar hangen en het er veel van heeft, alsof doel en zegen der gemeenschap moeten gezocht worden in steeds verwoeder concurrentie en steeds verwijderder conciliatie, — mogen zij, die op één punt (in casu water- en luchtverversching) afdoende verbetering eischen, zich gerechtigd achten dien eiscli, desnoods met wat plechtige phrasen, toe te lichten, zonder daarom in wijde beschouwingen, omtrent 't noodzakelijke eener diep ingrijpende, zedelijke hervorming te behoeven te treden.

Toch ware 't gewenscht, met het oog vooral op de komende democratie, dat er eindelijk iemand opstond om ons er aan te herinneren, dat macht, in welken vorm ook, tot veel, tot aanhoudend dienen verplicht. Wij weten het wel, dat 't schoon is te dienen, dat 't verstandig is tevens, als uitwisschende onze schuld; maar hoe vaak vergeten wij, en vergeten wij 't willens en wetens, dat dienen, en nog eens dienen de eenige weg is tot gemoedsrust!

Het indolent-cynische, waarmede wij, aristocraten des geestes, tegenover de massa pronken durven, heeft elke kiem van enthusiasme in ons binnenste gesmoord. Ons streven en strijden geldt zaken van louter economischen, tijdelijken, voorbijgaanden aard, terwijl 't geloof „dat de idee 't eenig waarachtige is en dat 't ideaal ten slotte de werkelijkheid beheerscht" (1) slechts enkelen aanspoort tot hooger leven.

Wanneer ons de kwalijkriekende grachten van schaamte en ergernis doen huiveren, behoorden wij te bedenken, dat wij zelfs geen woord hebben voor: „pronounced public spirit".

Zoo iets riekt ook niet frisch.

Geen Hollandsch woord voor den collectief-barmonischen drang, waaraan de samenleving haar waarde, haar reden van bestaan ontleent, voor 't intens gevoel buiten 't welk de een

Sluiten