Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

boorte en dood verbonden is. De zonde openbaart bij den mensch hure macht vooral in het vleesch. Daarom maken alle verschijnselen van het geslachtsleven onrein ; de vrouw blijft zeven dagen na de geboorte van een zoon en veertien dagen na die van eene dochter onrein, en wordt ook dan eerst na drie-en-dertig of zes-en-zestig dagen door eene offerande in de kerkelijke gemeenschap opgenomen; het kind deelt in die onreinheid en wordt, wanneer het is van het mannelijk geslacht, eerst op den achtsten dag na de geboorte besneden.

De voltrekking van deze besnijdenis was in de dagen des Ouden Testaments aan geen ambt gebonden. Ieder Israëliet mocht haar uitoefenen; gewoonlijk deed het de huisvader, Gen. 17 : 23, en in geval van nood ook de moeder, Ex. 4 : 25, 1 Makk. 1 : 64, 65. In lateren en ook in den tegenwoordigen tijd wordt zij in huis voltrokken door een arts of door een daartoe gediplomeerden mohel (besnijder), in het bijzijn van den vader of van getuigen.

De tijdsbepaling van den achtsten dag is afdoend bewijs, dat de besnijdenis niet mag opgevat worden als eene uitwendige handeling, welke de geestelijke weldaad der zondenvergeving en van de besnijdenis des harten bewerkte en tot stand bracht. Dan toch zouden alle kinderen, die vóór den achtsten dag stierven, onder Israël van het koninkrijk der hemelen uitgesloten zijn 'geweest, en dat krachtens eene Goddelijke beschikking, zonder eenige schuld van de zijde des menschen.

Toen later onder de Joden de gedachte opkwam, dat de besnijdenis volstrekt noodzakelijk tot de zaligheid was, raakte men met deze Goddelijke tijdsbepaling verlegen. En het gebruik kwam op, om zulke kinderen, die vóór den achtsten dag gestorven waren, nog te besnijden op de

Sluiten