Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

begraafplaats; eene gewoonte, die ook hier te lande onder de Joden nog heden ten dage gevolgd wordt.

Maar juist omdat het Jodendom aan de uitwendige besnijdenis de zaligheid verbond en uit de werken der wet zijne eigene gerechtigheid zocht op te richten, stelde God in den aanvang des Nieuwen Testaments het nieuwe sacrament van den doop in. In dien doop toch verkondigde Johannes aan de Joden van zijn tijd, dat zij, ofschoon besneden zijnde, schuldig en onrein waren en eene gansche vernieuwing van noode hadden, om in te gaan in het koninkrijk der hemelen. De doop van Johannes was eene veroordeeling van het Jodendom, eene luide prediking, dat de uitwendige besnijdenis zonder meer tot niets nut is; dat die niet de ware Jood is, die het in het openbaar in het vleesch is, maar dat die een Jood is, die het in het verborgen is en de besnijdenis des harten deelachtig is.

Maar die doop was toch ook nog iets anders en iets meer. Hij was het onomstootelijk bewijs, dat God zijn verbond bleef gedenken en zijne beloften vervullen wilde. Want niettegenstaande de Joden schuldig en onrein waren, de Heere verwierp hen niet maar kwam in het sacrament van den doop hun opnieuw zijne genade betuigen. De doop was eene prediking van der Joden verdoemelijkheid, maar ook eene verkondiging van Gods trouw in het vervullen zijner beloften, van zijne gezindheid om alle zonden te vergeven en zijn volk wederom in genade aan te nemen. Ja, naarmate de zonde te meerder werd, openbaarde zich Gods genade te overvloediger. Kijker nog dan in de dagen des Ouden Testaments zou immers straks in Jezus Christus de volheid van Gods genade en waarheid aan het licht treden. De wet werd wel door Mozes gegeven; maaide genade en de waarheid zijn in Jezus Christus geworden.

Daarom heette die doop bij Johannes dan ook doop der

Sluiten