Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het liefst den eenvoudigen naam van getuigen, omdat deze het minst tot misverstand en dwaling aanleiding gaf.

Voorts legden zij er zonder ophouden en altijd bij vernieuwing den sterksten nadruk op, dat, als men getuigen nam, men daarvoor toch geschikte, vrome mannen en vrouwen zou kiezen, die gezond waren in het geloof en onbesproken in den wandel, en wier belofte dus metterdaad waarborg bood voor de Christelijke opvoeding van het kind.

Op de Synode te Ernden 1571 bijv. kwam eene vraag van de broeders te Keulen, of men ook zulke personen als vaders zou toelaten, die, hoewel de zuivere leer toegedaan, toch zich nog niet tot de gemeente hadden begeven. En het antwoord was, dat men zulke personen wel mocht toelaten als getuigen in dien zin, dat zij getuigenis aflegden, dat het kind gedoopt was, maar niet in dien zin, dat zij ook zorgden voor de onderwijzing van het kind. In dit geval moesten zij leden der kerk zijn, en, gelijk latere Synoden telkens zeiden, gezond in het geloof en onbesproken in den wandel, menschen, die den Heere vreesden, die in leer en leven een voorbeeld waren en de kinderen in den weg der godzaligheid leerden wandelen.

Het nemen van getuigen is daarom in de Gereformeerde kerken, ook hier te lande, wel langen tijd nog in gebruik gebleven. Maar de nuttigheid, die eruit voortvloeide, schijnt niet groot te zijn geweest. Evenals in de Roomsche kerk, breidde men ook in de Gereformeerde kerken het getal der getuigen bovenmatig uit. De Provinciale Synode van Zeeland, in 1597 te Goes gehouden, droeg bijv. aan deputaten op, om de Staten der Provincie te verzoeken, dat zij op de veelheid der getuigen orde zouden stellen en op straffe verbieden zouden, meer dan vier getuigen voor ieder kind te nemen (Reitsma en Van Veen V 40, 44, 102).

Sluiten