Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ouders gehouden zijn, hunne kinderen in het opwassen van de leer des verbonds breeder te onderwijzen.

En sterker spreken nog vele Synoden. Enkele aanhalingen mogen volstaan.

De Prov. Synode te Dordrecht 1574 bepaalde in art. 61, dat de vaders gehouden zijn, om bij den doop hunner kinderen tegenwoordig te zijn. Maar de 8ynode van dezelfde Provincie in het volgende jaar te Rotterdam zeide : het is behoorlijk, dat de ouders zullen tegenwoordig zijn bij den doop hunner kinderen (Reitsma en Van Veen II 169).

De Provinciale Synode t.e Rotterdam 1581 klaagde erover, dat er veel wanorde bij den doop der kinderen voorkwam, omdat de ouders zelf niet kwamen en er ongeschikte getuigen genomen werden (ib. II 199).

De Provinciale Synode te Rotterdam 1586 zegt, dat de ouders present zullen verschijnen bij den doop (ib. II 275).

De Geldersche Synode te Zutfen in het jaar 1605 nam de vraag in overweging, of men den doop niet weigeren zou aan kinderen, wier ouders, ofschoon gezond en ter plaatse aanwezig, zich lichtelijk van den doop hunner kinderen absenteerden (ib. IV 135.)

Die te Zutfen in het jaar 1620 klaagt over de negligentie der ouders, die hunne kinderen jaren lang ongedoopt lieten liggen, en droeg aan de predikanten op, om zulke ouders te vermanen tot het vervullen van hun plicht (ib. IV 340).

De Friesche Synode te Dokkum van het jaar 1591 besluit, dat de ouders zullen vermaand worden, om hunne kinderen zeiven ten doop te brengen (ib. VI 61).

Doch genoeg. Dc aangehaalde plaatsen, die nog te vermeerderen zouden zijn, stellen het in het helderste licht en verheffen het boven allen twijfel, dat de Gereformeerden aan een stelselmatig uitsluiten van de moeder bij den doop van haar kind nooit hebben gedacht.

Sluiten