Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het kind terstond na de geboorte ten doop te bieden. Wanneer de omstandigheden verhinderden, dat het kind in de kerk door den bedienaar van het sacrament werd gedoopt, mocht het zelfs aan huis van een niet-ambtelijk persoon den doop ontvangen. Vroegdoop, huisdoop en nooddoop waren alle drie gevolgtrekkingen uit de leer van de volstrekte noodzakelijkheid des doops.

4. De Gereformeerden hebben, rekening houdende met de practijk, den vroegdoop niet afgeschaft. Zij voerden hem niet in, maar lieten hem volkomen terecht bestaan, omdat een vermaan tot uitstel op zichzelf onverdedigbaar zou zijn, omdat bij velen juist tegen een maanden-en jarenlang uitstel gewaarschuwd moest worden, en omdat men ook met de zwakgeloovigen, die uit de Roomsche kerk overkwamen, rekenen en aan hunne bezwaren tegemoet komen moest.

5. Toch hebben zij zijdelings in den tijd van den doop eene belangrijke wijziging gebracht. Want ten eerste leidden zij de verplichting, om het kind ten doop te houden, van de getuigen weder tot de ouders terug. Ten andere bonden zij de doopsbediening aan de openbare samenkomst der geloovigen. En ten derde schaften zij den nooddoop af en stonden den huisdoop en de doopbeurt in de week slechts bij wijze van concessie aan de zwakgeloovigen toe.

6. Als sommige Kerkorden alleen van den vader spreken als dengene, die het kind ten doop moet houden, dan is daarmede nooit bedoeld, dat de moeder het niet mag doen. Want het noemen van den vader alleen is daaruit te verklaren, dat toenmaals in den regel de doop binnen enkele dagen na de geboorte plaats had. De moeder was feitelijk, wijl zij nog niet hersteld was, van de bijwoning der doopsplechtigheid en van het antwoorden op de doopvragen verstoken. Maar deze afwezigheid berustte op eene eeuwenlange gewoonte en niet op eenige theorie.

Sluiten