Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I.

DE OORLOGSKANS IN 1588.

Wij zagen het reeds, bij den aanvang van het jaar 1588 scheen de zaak van den Nederlandschen opstand zoo goed als verloren. Inwendig verdeeld en afgestreden, hadden de Vereenigde Gewesten van niemand hulp te verwachten. Leicester had zoo even het landsbestuur in arren moede van zich geworpen, en zijn meesteres, gekrenkt door de beleediging haren gunsteling aangedaan, toonde zich ongenegen de ondankbaren nog langer'te ondersteunen. Veeleer neigde zij tot verzoening met Philips. In Frankrijk woedde de partijschap niet minder hevig dan bij ons, maar de Spaanschgezinde partij had er verre de bovenhand: Guise was de lieveling des volks, de vermoedelijke opvolger van den kinderloozen Hendrik III, en Guise was een man naar het hart van den Spaanschen Koning. Tegen hem vermocht zich Hendrik van Navarre, de vriend der Vereenigde Nederlanden, ternauwernood staande te houden. Dus van buiten was niets te hopen, van binnen geen zelfvertrouwen, geen kracht.

En, daarentegen, in de zuidelijke provinciën stond een man aan het hoofd der regeering, die alles in zich vereenigde wat noodig was om de onderworpen gewesten te bevredigen en de nog afvallige met geweld van wapenen of met lokkende woorden van verzoening te winnen. Alexander Farnese, hertog van Parma, was, nu tien jaren geleden, in de Nederlanden gekomen, toen zij alle, Luxemburg alleen uitgezonderd, door de pacificatie van Gent vereenigd tegen de Spaansche overheersching samenspanden, toen bijna al de edelen, daaronder ijverige Katholieken, de wapenen droegen tegen den landvoogd, Don Juan, den broeder des Konings. De eerste overwinning op de opstandelingen, bij Gemblours, had hij helpen bevechten; en kort daarop, na Don Juan's overlijden, zelf landvoogd geworden, had hij eerst de

Sluiten