Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Engelsche krijgslieden in Hollandschen dienst tot toegeeflijkheid; aan vrede met Philips dacht zij zelfs niet meer. Zij had hem niet alleen zijn aanslag te vergelden; als vrouw, als vorstin, was zij in haar eer gekrenkt, en dat vergaf de fiere dochter van Hendrik VIII niet. Walsingham, haar menschkundige minister, had het aan «Ie Nederlandsche predikanten, die het over het heillooze van vrede met Spanje waren komen onderhouden, voorspeld: „ dat de argumenten van de eere genomen bij de prinsen meer golden als eenige andere; dat de Koningin na de gestrooide schandelijke libellen nimmermeer, behoudens haar eer, vrede kon maken" J). Die zoo sprak kende Elisabeth: vrede met Spanje sloot eerst haar opvolger.

En dien nieuwen oorlog moest Philips nu met ledige schatkist beginnen; de armade had de schatten van de Indien uitgeput; twaalf duizend dukaten iederen dag had zij gekost. Tien duizend krijgslieden, daaronder uit de edelste geslachten van Spanje, waren van den rampzaligen tocht niet teruggekomen. Wat had er met de dus verspilde middelen niet kunnen gedaan worden tot onderwerping der Nederlanden? En het ongeluk bracht, als gewoonlijk, tweedracht, wederkeerige verwijten van de legerhoofden te weeg. De brief, waarin Francis Drake de nederlaag der armade aan Walsingham berichtte, meldde tevens, dat de Spaansche admiraal naijverig op Parma was, en dat de Spanjaards dezen begonnen te haten 2). En zoo was het; aan Parma werd door de scheepsbevelhebbers de schuld van hun ongeluk gegeven; hij was immers niet geheel gereed geweest, toen de armade reeds te Calais op hem wachtte, en dat oponthoud was het begin geweest van den tegenspoed. Zij bedachten niet, dat, indien Parma's raad was opgevolgd en Ylissingen veroverd, eer de armade in zee stak, noch de blokkade door nietige Hollandsche schepen, noch het woeden van den storm te vreezen ware geweest. De gekrenkte hoogmoed der Spaansche grooten bleef aan den Italiaanschen landvoogd de schuld geven; reeds lang had hun naijver zich aan zijn voorspoed geërgerd s). Hun laster griefde Parma te dieper, omdat zijn vroegere heldendaden hem aan eerbetoon gewend hadden; en om dus

1) Bor, dl. III, blz. 359.

2) Bij Wright, Queen Elisabeth and.her times, t. III, p. 389.

3) Granvelle, die het Spaansche karakter. kende, schrijft ergens: „si quelque faute succède en partie par leur faulte, comme il advient souvent, pour s'en démesler procurent de la jetter sur aultres qui ne sont de leur nation, oyres qu'iceux n'ayent culpe quelconque". Archives de la maison d'Orange-Nassau, t. I, p. 71.

Sluiten