Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

klacht was billijk; zoodoende ontdoken de Staten de wettig aangegane verbintenis. Maar aan den anderen kant, het was natuurlijk, dat de Hollandsch'e staatslieden de banden, die hen al te nauw aan Engeland hechtten, zooveel althans wilden loswringen, dat hun een eigen beweging mogelijk werd '). — En het lidmaatschap der Engelsche raadsleden was niet de eenige fout in de samenstelling van den Raad van State. Het machtige Holland kon er geen invloed oefenen geëvenredigd aan zijn gewicht in de Unie, aan zijn ijver voor de zaak der vrijheid, aan de bekwaamheid zijner staats- en krijgslieden, aan de som zijner bijdragen .tot de gemeene oorlogskosten. Het betaalde meer dan de helft, cn had maar een vierde der stemmen van den Raad. Zijn advokaat, de invloedrijkste en bekwaamste man der Unie, had geen recht van zitting, en werd eerlang van de vergadering uitgesloten 2). Was het dan wel te verwonderen, dat Holland en zijn advokaat, zoo veel zij konden, gewichtige aangelegenheden aan de beslissing van een zoo kwalijk samengesteld lichaam onttrokken , en liever bij de Staten-Generaal in behandeling brachten, in wier vergadering Holland en zijn advokaat het meest te zeggen hadden? Ook Maurits had liever de leiding van den oorlog alleen, onder toezicht der Staten-Generaal, dan in voortdurend overleg met den Raad van State. Al spoedig begint dus ook hij inbreuk te maken op de bevoegdheid van den Raad, en eigenmachtig plannen ten uitvoer te brengen, die hij eigenlijk eerst aan het oordeel van den Raad had moeten onderwerpen 3). En noch de vertooging van den Raad zeiven, noch de scherpe ver-

Maurits, dl. It aaut. 2G5. — Belangrijk over dit onderwerp is het Gedenkschrift van Joris de Bye, toen ter tijd lid van den Raad van State, dat ik in de Bijdr. en Med 'd. van het Hist. Genootschap, XI» dl., bh. 400 vijf., heb uitgegeven.

1) Juist beschrijft Duplessis Mornay onzen toestand in 1588 als: „entre es bras de Ia Royne d'Angleterre plustost estreincts qu'em brassés". Mémoires, t. IV, p. 207.

2) Den 9^en Januari 1590 besluit de Raad van State, overwegende dat de Advokaat van Holland cn ook sommigen uit de Staten dier provincie nu en dan onaangediend in den Raad verschijnen, wat de heeren Staten van de overige gewesten nooit doen, den deurwaarders aan te zeggen, „voortaen niemand, wie het zij, uitgezonderd de Heeren Generale Staten, tsarnen komende staetsgewijze, en de Heeren Gouverneurs van de provinciën, in den Raed te laten komen, zonder hetzelve alvorens den Raed aen te geven, en van denzelfden Raed bevel ontfangen hebbende zulke personen of gedeputeerden, tzij van de Staten-Generael of particulier of andere, te laten instaen". Vgl. Slingelandt, dl. III, blz. 15.

3) Reeds in April 1589 beklaagt zich de R. v. St. over Maurits, die krijgszaken „zonder voorweten of advies van den Raad" had uitgevoerd. — Zie het uittreksel uit de Resol. y. d. R. v. St., bij v. d. Kemp, Maurits, dl. I, blz. 297.

Sluiten