Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

als aan ons vrij eigendom, meer laten gelegen liggen" 1). — In dien trek van ons volkskarakter zien wij den grond van den aristocratischen regeeringsvorm der republiek, en zijn rechtvaardiging tevens. De regenten hebben niet, zooals dikwerf beweerd is, bij het stichten van het gemeenebest aan het volk zijn rechten ontroofd: zij hadden slechts te aanvaarden wat het volk hun gaarne ^overgaf. Druk bezig met nijverheid en handel, liet het aan de bekwame mannen, die naar zijn geest en overeenkomstig zijn belangen het land regeerden, gewillig het staatsbestuur over. En dezen aarzelden niet het zich geheel toe te eigenen. Het ligt in de natuur van iedere staatsmacht, dat zij haar bevoegdheid zoover mogelijk uitbreidt, tot waar andere machten haar beperken. Uit eigen beweging aan de onverschillige burgerij invloed op de regeering te verzekeren, kwam zeker bij geen der regenten op. En waarlijk, de volksinvloed had zich, gedurende Leicester's beheer, niet als zoo heilzaam doen kennen, dat de Staten naar zijn voortduren verlangen moesten. Integendeel , zij hadden reden zich verplicht te achten, de menigte, zooveel zij konden, van mederegeering af te houden.

Op deze wijs werd het regeeren allengs het werk van enkele geslachten 2). Toch heeft het nog lang geduurd eer zich een regenten-stand, afgezonderd van den handelsstand, gevormd heeft. Eerst een halve eeuw later vinden wij dien in wezen. Temple, die na 1672 zijne Opmerkingen over de Vereenigde Provinciën heeft uitgegeven, beschrijft het onderscheid tusschen beide standen als in het oog loopend, in opvoeding, in leefwijs, in middelen van bestaan. En reeds vroeger, in 1652, hooren wij den handelsstand van Amsterdam klagen, dat de heeren regenten geen kooplieden zijn, en geen belang bij den handel hebben, maar van de opbrengst hunner huizen, landen en renten bestaan 3). Hoe zeer was men toen al vervreemd van den tijd, dien wij behandelen, nu de regenten Mulder en Kaaskooper den spot opwekken van de hooghartige edellieden van België.

Eén politiek recht was er, dat de natie steeds op prijs heeft

1) Vergelijking der Gemeenebesten, II, p. 3.

2) In 1618 waren te Dordrecht de regenten door huwelijk en bloedverwantschap reeds zoo nauw aan elkander verknocht, dat Prins Maurits er de wet niet verstelde „omdat het ongelijk van eenigen allen treffen zou." Wagenaar, dl. X, blz. 281.

3) Aitzema, dl. III, blz. 762. — Een pamflet uit denzelfden tijd, van 1653, (Muller, N*. 4214) klaagt: ,,'tls hier in 'tLand soo seer verloopen, dat de Regeerders haer schier schamen te negotieeren; zoo Adels word men."

Sluiten