Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en belette daarom de aanstelling van een kapitein-generaal der Unie, wien ook de Friesche troepen hadden moeten gehoorzamen. Gelukkig had niet elk gewest een bijzonderen stadhouder; eerlang waren er geen andere dan Maurits en Willem Lodewijk van Nassau. Toen namelijk de graaf van Nieuwenaar, stadhouder van Utrecht, Gelderland en Overijsel, op het laatst van 1589 ellendig aanzijn eind gekomen was, gelukte het den Hollandschen staatslieden die drie gewesten te bewegen om geen anderen opvolger te kiezen dan Maurits *). Het vooruitzicht, dat, als zij Holland's gouverneur ook tot den hunnen kozen, die machtige provincie zich des te ijveriger zou betoonen in het heroveren van wat de vijand nog binnen hun grenzen bezet hield, was de voorname drijfveer die hen bewoog. En Willem Lodewijk, reeds stadhouder van Friesland, was buitendien voorbestemd tot het gouvernement van Groningen en Drente. Dus stond het leger slechts onder twee hoofden, en dezen waren nauwverbonden vrienden, neven en schoonbroeders: hun eendracht maakte het gebrek aan eenheid in het krijgsbestuur bijna onschadelijk.

Zoo zien wij overal het provincialisme veld winnen; het is de schaduwzijde van het regeeringsstelsel, in dezen tijd aangenomen. Maar vooralsnog werden de gebreken ervan door de bekwaamheid der regeerders en door den drang van het gevaar, dat de gewesten nauw aaneensloot, bedekt gehouden. Eerst in later, schijnbaar gelukkiger, dagen zouden zij zich, ten verderve van het land, openbaren. \

Alles ging voor het oogenblik naar wensch; overal trad orde in de plaats der vroegere wanorde, ondergeschiktheid en vrede in plaats der burgertwisten, die nog kort geleden het land beroerden , en met ondergang bedreigden. Gewillig bracht het volk de voorbeeldeloos zware belasting op, die het oorlogvoeren vereischte. De Spaanschgezinden beklagen, met kwalijk verholen spijt, het wufte volk, dat voorheen den tienden penning ondragelijk vond, en thans zonder te morren onberekenbaar zwaarder lasten torsen moet. Onpartijdige vreemdelingen daarentegen merken met bewondering op, tot hoe groote inspanning een vrijheidlievend volk voor het behoud zijner vrijheid in staat is. Allen zijn het eens, dat zelden eenige natie zooveel heeft opgebracht, met zoo weinig tegenzin. De lasten der republiek (schrijft Bentivoglio, bij den

1) Zie de merkwaardige verklaring van Oldenbarnevelt, in zijn Verhooren, (uitg. van het Hist. Genootschap), blz. 11.

Sluiten