Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aanvang van het Bestand) zijn zoo zwaar, dat zij, om zoo te zeggen, niet zwaarder zouden kunnen wezen: toch worden zij geduldig gedragen '). De Fransche gezant, de Buzanval, kan niet ophouden zijn bewondering te betuigen over de offers, die vooral de Hollanders zich voor den bevrijdingsoorlog getroosten; hij acht hen, die zich zelf dus kloekmoedig helpen, de hulp van Frankrijk overwaardig 2). Wij zouden ons van de zwaarte der toen gedragen lasten een gebrekkig denkbeeld vormen, indien wij ze wilden meten met den maatstaf der tegenwoordige geldswaarde. Tweemaal honderd duizend gulden 's maands voor gewone en bovendien ongeveer een millioen in het jaar voor buitengewone oorlogskosten, schijnt niet bovenmatig: maar vooreerst merken wij op, dat die som steeds klimmende is; op het laatst van het tijdvak, waartoe wij ons bepalen, was zij reeds met de helft vermeerderd. Ten andere moeten wij bedenken, dat, behalve deze oorlogsbelasting, nog door elk gewest moest worden opgebracht wat zijn bijzondere uitgaven vereischten. En aan de oorlogsbelasting betaalden slechts vier provinciën, Holland, Zeeland, Utrecht en Friesland; want Gelderland en Overijsel hadden zooveel van den oorlog, door brandschatting, plundering en verwoesting, te lijden, dat zij niet in staat waren, om bovendien nog iets van belang in de schatkist bij te dragen. Grootendeels drukte de last op Holland alleen, dat van elke honderd negen en vijftig moest opbrengen. Met den besten wil was het niet in staat om zooveel uit de gewone middelen te vinden; het moest telkens kleine leeningen aangaan, aanvankelijk, daar zijn krediet niet gevestigd was, tegen 12 percent, en nog 2 percent makelaardij daarenboven. Toch was aan het eind van het tijdvak, dat wij beschouwen, de openbare schuld nog gering; eerst na 1598, sedert wij, in plaats van uit Engeland te trekken, de genoten voorschotten moesten terugbetalen, neemt zij aanmerkelijk toe.

De bronnen, waaruit Holland de schatten putte, die het zoo ruimschoots voor zijn vrijheid over had, ontsprongen uit de nijverheid zijner inwoners, bovenal uit hun handel en zeevaart. Werden die ooit door den vijand gefnuikt, dan was het uit met den weerstand ; van uitputting zou de republiek den strijd moeten opgeven. De heerschappij ter zee en op de binnenwateren was dus de

1) Relazioni I, 6. — Vgl. Buzanval, p. 194: „II s'est rarement veu moinsde raurmures sous si grandes charges, comme sont celles qu'ils portent.

2) Correspondance, p. 107, 122, 129, 193, passim.

Sluiten