Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gezag wel geweest zijn, waarop maar zoo weinig viel af te dingen! Niemand zal het dan ook wel voor grootspraak houden als Oldenbarnevelt zelf in zijn Remonstrantie, terugziende op al de moeilijkheden , na Leicester's vertrek zoo spoedig en volkomen overwonnen, zich beroemt: „ en dient gezegd, dat ik mede een principaal instrument over al hetzelve ben geweest".

Zijn staatkundige beginselen heeft hij, zijn geheele bediening door, onveranderd, maar naar zijn tijdsomstandigheden gewijzigd, nageleefd. Welke die beginselen waren, is ons reeds gedeeltelijk gebleken: hij stond de zelfstandigheid der gewesten voor, en, niettegenstaande zijn afkomst uit het Sticht, ijverde hij als advokaat van den lande voor het overwicht van Holland in de Unie. Hij was echter geenszins ingenomen tegen een eenhoofdig bestuur, door privilegiën beperkt en naar de zeden en behoeften der natie ingericht. Tot de opdracht der grafelijke waardigheid aan Prins Willem had hij naar zijn vermogen meegewerkt. Na diens dood was hij een der weinigen, die nu hetgeen men den Prins had toegedacht op Maurits wilden overdragen; door zijn toedoen stemde de stad Rotterdam, wier pensionaris hij was , in dien geest. Maar in plaats van Maurits te kiezen, wendden zich de Staten tot Frankrijk en Engeland, en haalden ten laatste Leicester in het land. Toen, zooals wij zagen, was hij het weer vooral, die Maurits tot stadhouder van Holland en Zeeland deed aanstellen. En daartoe bewoog hem, behalve voorzichtige staatkunde, ook liefde tot het huis van Oranje. Er valt niet aan te twijfelen, dat hij zich en het vaderland verplicht rekende, diens weldaden in zijn kinderen te erkennen. Zooveel hij kon, zonder naar zijn oordeel de belangen van den slaat te krenken, heeft hij zich jegens het geheele huis van Oranje steeds dienstvaardig betoond. Met de weduwe van den Prins, Louise de Coligni, stond hij op den besten voet. Uytenbogaert verzekert ons, dat hij die prinses meermalen had hooren getuigen: „dat de diensten, die de advokaat den huize Nassau gedaan had, zoo groot waren, dat zij hem wel mochten houden niet als hun vriend, maar als hun vader" 1). Zelfs de belangen van Philips Willem, den ongelukkigen oudsten zoon van Willem van Oranje, stond hij steeds zoo welwillend voor, dat de laster hem daarvan een misdaad zocht te maken 2). Dat hij Maurits,

1) Uytenbogaert's leven, blz. 157. Vgl. Corresp. de Louise de Coligny, par Marshagay, p. 245, n*. 135; en mijn opmerking in den Spectator van 1887, blz. 286.

2) Uytenbogaert's leven, blz. 158. — Verhooren van Oldenbarnevelt, blz. 174.

Sluiten