Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verdroeg hij hun beleedigende tegenwerking. Toen, in later dagen, Maurits en Oldenbarnevelt in steeds heftiger tweedracht vervielen, nam hij gedurig de rol van bemiddelaar op zich '); en, hoewel geheel met Maurits instemmende, raadde hij dezen tot matiging jegens de overwonnen partij 2). Uit zijn brieven, die wij in vrij aanzienlijken getale over hebben, leeren wij hem als een goed, vroom man kennen, op wien, in meerdere mate dan op zijn neven, de geest van Prins Willem was overgegaan.

De krijgszaken leerde hij reeds vroeg door de ondervinding kennen; van het aanvaarden zijner bediening af moest hij Friesland met de wapenen verdedigen. De ernst, waarmee hij alles verrichtte wat hem te doen stond, bracht hem tot grondige studie van het krijgswezen in zijn geheelen omvang: niet tevreden met de lompe routine, die hij van zijn officieren kon afzien, ging hij te leer bij de oude Grieken en Romeinen, die ook de kunst van den oorlog beter verstaan en beschreven hadden dan de veldheeren van zijn tijd. Reeds Machiavelli 3) had zijn verwondering betuigd, dat, terwijl de moderne rechtsgeleerdheid, geneeskunde en letterkunde niets waren dan de herboren kunst en wetenschap der ouden, toch de staatkunde en de krijgskunde, waarin Grieken en Romeinen niet minder hadden uitgemunt, verzuimden partij te trekken van hun voorbeeld en onderricht. Hij zelf had een geleerde staatkunde uit de schriften vooral van Romeinsche schrijvers geput; de eer van de krijgskunst naar de voorschriften der ouden hervormd te hebben komt in de eerste plaats aan "Willem Lodewijk

van Nassau toe.

Er was in 1554 te Bazel een Latijnsche vertaling uitgegeven van het werk over de krijgskunst, dat aan den Byzantijnschen Keizer Leo wordt toegeschreven. Dit boek werd de dagelijksche studie van den Frieschen stadhouder 4). Met zijn vertrouwden raadsman, Everard van Reyd, — op wiens geschiedverhaal wij ons reeds herhaaldelijk beroepen hebben — vergeleek hij de voorschriften van Keizer Leo met de verspreide lessen en berichten van andere oude schrijvers; en hij rekende het niet beneden zich de daaruit geleerde manoeuvres op een groote tafel met looden

1) Uytenbogaert's Leven, blz. 157. Jeannin, passim. Carleton, p. 343.

2) Zie zijn brief bij Kluit, dl. III, blz. 499.

3) Discorsi sopra la prima Deca di T. Livio, p. 86 (Firenza 1848). Vgl. p. 256, 345.

4) Zie zyn brief aan Maurits, 8 December 1594, Archives, I, p. 364 en bij Mulder, Journaal van Duyck, I, blz. 717.

i

Sluiten