Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

poort uitzondert, bijna niet geleverd. Zijn groote voorzichtigheid, zijn zuinigheid weerhielden hem de krachten van den staat op het spel te zetten. Hendrik IV, zegt men x), achtte hem daarom als veldheer niet hoog. En, inderdaad, tusschen het geleerde, omzichtige oorlogvoeren van Maurits en het onstuimige, ridderlijke slagleveren van den Franschen Koning is het onderscheid te wezenlijk, dan dat zij elkander met juistheid hadden kunnen waardeeren. Maurits voerde den krijg zooals hij schaak speelde, het spel waarmee hij zich bij voorkeur ontspande. Hij speelde bedaard, overlegde alle kansen, en liet zoo weinig mogelijk aan het geluk over; bovenal om te winnen was het hem te doen;hoe goed hij gespeeld had, als hij verloor was hij ontstemd en wrevelig 2). Misschien was voor den Franschen burgeroorlog, voor het bevel over een stoutmoedigen adel, een held als Hendrik geschikter dan Maurits zou geweest zijn. Zeker ware Hendrik van Navarre op een krijgstooneel, als het onze, treurig misplaatst geweest. Zoowel om de talenten die hij bezat, als om het gemis aan meer schitterende krijgsdeugd, was Maurits de man, dien de eigenaardigheid van onze vrijheidsoorlog vereischte. Maar van al zijn talenten was op dit tijdstip nog weinig gebleken. Door persoonlijken moed, die aan roekeloosheid grensde, had hij zich vooralsnog het meest doen kennen. Bij het verdedigen van den Bommelerwaard, bij het nemen der Brabantsche sterkten, had hij zijn bekwaamheid slechts ten deele kunnen toonen. Elisabeth had , nog kort geleden, spottend mogen vragen, welk beproefd veldheer men aan het hoofd van een leger dacht te stellen. Op dat oogenblik nog was Schenck de krijgsman van den meesten naam. Maar Schenck en Nieuwenaar waren intusschen gestorven, als om plaats te maken voor een jonger en waardiger geslacht. De tijd was nabij, waarop onze jeugdige veldheeren geheel Europa met den roem hunner wapenfeiten zouden vervullen.

De hulde, door Willem Lodewijk aan Maurits betoond, werd door dezen met broederlijke genegenheid beantwoord; de beste samenwerking en verstandhouding heeft tusschen beide voortdurend bestaan. De Friesche stadhouder leidde ziju jongeren neef

1) „Non poche volte ebbe a dire (Enrico IV) ch' esso conté non si poteva chiamar gran soldato, perchè era avezzo a guerreggiar solamente fra i dicchi e fra le riviere, senza cercar mai gli incontri in campagna aperta." Bentivoglio, Relaz. I. III. c. 1. — Daarmede strijdt niet hetgeen Aubigné bericht, dat Hendrik IV eens verklaarde: „que nous avions plus combattu que les Hollandois, et eux rriieux. fait la guerre que nous.°' Beide oordeelen samengevat geven misschien het best 'sKonings meening terug.

2) Zie Mémoires d'Aubery du Maurier, p. 202. (edit. 1687).

Sluiten