Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ieder verlangde in haar bijzonder belang de gemeenschappelijke krachtsinspanning aangewend te zien. Voor Friesland was het vermeesteren van Groningen, van Koevorden en Steenwijk, waardoor zijn platte land beveiligd zou wezen, de hoofdzaak. Voor Holland en Zeeland de verovering van Geertruidenberg en van de andere riviersteden, waaruit de vijand hun binnenhandel stoorde. Voor Gelderland en Utrecht de inneming van de vestingen aan den IJsel, waarbij zijdelings ook Holland belang had. Na langdurige onderhandeling werd men het eens, dat de IJsel-steden het eerst en vervolgens Groningen of Steenwijk aangetast zouden worden. Alleen onder die voorwaarde wilden de Friezen hun compagnieën tot de belegering van Zutphen en Deventer laten meewerken. De beide stadhouders verplichtten zich wederkeerig bij geschrifte voor hun provinciën, als waren zij veldheeren van zelfstandige staten, niet van denzelfden bondstaat !).

De Spanjaarden vreesden een aanval, maar niet stellig: zij achtten de geuzen nauwelijks tot een kloeke onderneming in staat. Allerminst konden zij gissen op welk punt de aanval te wachten was. Het meest vreesde Parma voor de vestingen 's Hertogenbosch en Geertruidenberg, die voor een plotselingen aanval uit Breda bloot lagen. Opzettelijk versterkte hem Maurits in dien waan , door in die streken schijnbaar toebereidselen te maken, en ruiterbenden, als op verkenning, uit te zenden; hij misleidde zoodoende de waakzaamheid van zijn vijand volkomen. Op het onverwachtst verscheen, den 15Jen Mei, de voorhoede van het Staten-leger voor Zutphen: van Utrecht over de Veluwe rukten onder Maurits de vaandels van Holland aan, van Hattem de Friesche onder Willem Lodewijk; den Rijn op en den IJsel af voerden meer dan honderd schepen geschut, krijgsvoorraad en levensbehoeften uit de Hollandsche en Zeeuwsche steden aan. In allerijl begon het schanswerk, de wakkere bootsgezellen sleepten het geschut op zijn plaats; — nauw had het driemaal gevuurd, toen de onthutste bezetting al van overgaaf begon te spreken: vijf dagen nadat Maurits voor de vesting verschenen was, had hij ze in zijn macht 2). En nog dien eigen dag brak de voorhoede op naar Beventer; tien dagen later was ook die gewichtige vesting veroverd. Zij had zich

1) Zie den brief van Maurits aan de Staten-Generaal, bij v. d. Kemp, Maurits,

"dl. I, blz. 322.

3) „Tanta haec omnia celeritate gesta sunt, ut tam urbs quam propugnaculum citius occupata sint, quam fama obsidionis ad vicinos pervenerit." Janssonius (Mich. ab Isselt), Mercurius Gallo-Belgicus, p. 275.

Sluiten