Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het is ons niet ontgaan dat deze, voor de Vereenigde Nederlanden zoo gelukkige, wending der Fransehe zaken niet weinig bevorderd was door de onmacht en de werkeloosheid van het Spaansche leger. De Staten mochten zich beroemen daartoe het hunne te hebben bijgedragen: op aansporing van de Engelsche Koningin, maar ook uit welbegrepen eigenbelang, hadden zij met alle macht den nieuwen landvoogd bezig gehouden en hem buiten staat gesteld om het leger van zijn zoon in Frankrijk te versterken. Begrijpende dat een aanval op Luxemburg, waar Mansfeit zelf stadhouder was, hem het naast aan het hart zou gaan 1), zonden zij nog in den winter, den steeds krijgslustigen Philips van Nassau met 3000 man, voetvolk en ruiters, van Nijmegen door het Limburgsche naar Luxemburg, om daar te plunderen en te branden, eenige versterkte plaatsen, kon het zijn, te bemachtigen, en zoo doende den vijand naar die zijde te lokken en van Frankrijk af te trekken.

Maar er was nog een andere reden, waarom de Staten juist naar Luxemburg den oorlog wilden verplaatsen. Aan de zuidelijke grenzen van dit hertogdom lagen de souvereine heerlijkheden van het huis van Bouillon en de vesting Sedan, waar dit huis tevens regeerde. De erfgename dier rijke bezittingen, Charlotte de la Marck, had, een jaar geleden, door toedoen van HendrikIV, haar hand geschonken aan een eerzuchtigen Hugenoot, Vicomte de Turenne, die, niet tevreden met zijn nieuwe macht, ze slechts als middel aanwendde tot het verkrijgen van nog veel grooter gebied. Nauwelijks was hij gehuwd en hertog van Bouillon, of hij zond een vertrouwd persoon naar Den Haag om de oude vriendschap, die hij met de Staten onderhield, te verlevendigen, maar tevens om aan dezen voor te houden, welk een geschikte gelegenheid zich thans aanbood, om in Luxemburg tegen de Spanjaarden samen te spannen. Over Luxemburg kwamen de troepen uit Italië en Duitschland naar België; kon men die poort versperren, dan zou het

1) De Staten-Generaal schrijven aan Elisabeth, 28 Juni 1593: „1'hyver estant survenu, qui empesche en ces pays tous les faicts de guerre qui doibvent estre exploictés par force, estans par la contraincts laisser la campagne et mettre nos gens de guerre en garnison; et, préparant 1'ennemi avecq ceste occasion une nouvelle armée en pays bas, pour 1'envoyer contre ledict Roy et son royaulme, avoit icy esté trouvé bon, affin d'y donner empeschement ou du raoings retardement, ou bien pouvoir amoindrir lesdictes forces, de faire une invasion au duché de Luxembourg, au plain coeur d'hyver, pour ce regard que icelluy estoit du commandement particulier du comte de Mansfeit, gouverneurgeneral du pays bas, par le deces du ducq de Parme". — Een gelijkluidenden brief zonden zjj aan Hendrik IV.

Sluiten