Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

harding werd al dit werk, onder aanhoudenden regen — het was nog April — in betrekkelijk korten tijd volbracht. Toen de vijand ten laatste tot ontzet kwam opdagen, was de legerplaats reeds in uitmuntenden staat van tegenweer, van bolwerken, schansen, ravelijnen en wijde grachten voorzien, en sterker dan menige stad; de waterzijde der vesting, ruim twee derden van den geheelen omvang, was ingesloten met een linie van vaartuigen, aan ankers vastgelegd en door kabels aan elkander verbonden. Zoo nauw was de vesting omsingeld, dat geen bode uit 's vijands leger er kon binnen sluipen, en dat de briefwisseling door middel van duiven moest worden gevoerd. Eerst nu, na het voltooien der verschansing, begon het eigenlijke belegeringswerk; het delven der loopgraven in den drassigen grond, waarin men geen voet diep kon graven zonder in het water te geraken, het maken van de galerijen naar de vesten, het planten van het geschut. Al ging het langzaam, de belegeraars vorderden gestadig; zij waren zeker van de stad te bemachtigen, tenzij het den vijand nog gelukte haar te ontzetten. In het leger heerschte een orde en tucht, zooals in de Nederlanden nog nooit gezien was *); de heilrijke gevolgen daarvan werden dagelijks ondervonden: de boeren van den omtrek, verzekerd van goed onthaal en eerlijken handel, kwamen met hun vee, hun koren en allerlei waren in de legerplaats ter markt; het was er beterkoop dan in menige stad, zes maal goedkooper dan in het leger, dat de vijand tot ontzet deed aanrukken.

Zoodra Mansfeit in het zekere onderricht was, dat Maurits het op Geertruidenberg had gemunt, had hij in aller ijl de troepen, die krijgsvaardig waren, tot ontzet verzameld; in het begin van Mei had hij reeds achtduizend man te voet en vijftienhonderd te paard bijeen, en nog aanhoudend vermeerderde hij die macht; zijn zoon riep hij zelfs tot zijn bijstand uit Frankrijk terug 2). Zoo hooge waarde hechtte hij aan het behoud der bedreigde vesting. Maar de maand Mei was reeds half verloopen eer hij in het veld verscheen, en toen was het geschikte oogenblik lang voorbij. Eerst kwam hij zich met zijne geheele krijgsmacht op den weg naar Breda, ten oosten van het kamp van Maurits, legeren. Tien

1) Bongars aan Camerarius: „Scribit ad me e castris amicus, quem eo videndi studium traxit, nihil a se visum aut auditum illis castris fortius, nihil modestius. Propugnacula tantae molis esse, ut veterum Romanorum opera referant; sed eo ordine et silentio administrari cuncta, ut urbem et civiura obedientia tranquillam, non militum turbam patés".

2) Coloma, p. 209.

Sluiten