Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar bij haar vreugde gaf de natie even duidelijk haar vurig verlangen naar vrede te kennen. Bij zijn intrede te Antwerpen wachtten den landvoogd, aan een eerepoort, twee groepen van nimfen op, de eene de zeven afvallige provinciën voorstellend, de andere de tien, die den Koning gehoorzaam waren gebleven; toen hij haar genaderd was, trad de Nympha Belgica te voorschijn en geleidde beide groepen in vrede en vreugde vereenigd tot hem. En diezelfde zucht naar vrede openbaarde zich bij elke gelegenheid, bij vertooningen en optochten, in prenten en libellen l). Men geloofde algemeen, dat ook in de noordelijke provinciën, zoo al niet bij de regeering, althans bij de bevolking de zucht naar vrede en verzoening toenam; en Ernst, die van Philips gemachtigd was om een billijken vrede te sluiten 2), verlangde niets vuriger en geloofde zich bestemd om den langen krijg te eindigen. Gedurende het beleg van Groningen en terwijl tot ontzet dier stad Spaansche troepen verzameld werden, kwamen, onder voorwendsel van bijzondere aangelegenheid, twee Belgische rechtsgeleerden in Den Haag, en dienden bij de Staten een brief van Ernst in, die, zoo de opstandelingen een vrede op den voet der Gentsche pacificatie begeerden, tot onderhandeling leiden kon 3). Maar de Staten duchtten juist niets meer dan een vredehandel, die zij begrepen dat tot niets anders dan tot opruiing der bevolking kon dienen. Want een vrede, zooals Philips verlangde, waarbij de afgezworen tiran weer als landsheer erkend werd, en de gereformeerde religie gevaar zou loopen, verafschuwden Maurits en Oldenbamevelt en nagenoeg allen die in de regeering zaten; en een andere vrede op den grondslag der onafhankelijkheid en onder aannemelijke voorwaarden, was van Philips niet te hopen. Noodeloos zou dus de onderhandeling de burgerij in spanning brengen; misschien zouden enkele steden en provinciën op 's Konings voorstellen willen ingaan en zoo verdeeldheid onder de bondgenooten teweegbrengen, waarvan dan de vijand, sluw en verraderlijk, partij zou weten te trekken *).

maux et peines, que pesèrent si longtemps sur lui." Bulletins de la Commission Royale d'Histoire, XIII, p. 136.

1) Van Meteren, B, XVII, f. 339.

2) „Der König hat wann er (Ernst) ein guten Friden oder Anstandt machen

könt, das er thun soll, befohlen." Khevenhiller, IV, S. 1342.

3) Borgnet, De Nederlanden onder koning Philips II, blz. 217.

4) Ik wil hier uit het, toen ik schreef nog ongedrukte, doch sedert in de Gedenkst. van Oldenb. II, blz. 176 uitgegeven, Verbael der ambassade, in 1598 naar Frankrijk en Engeland gezonden, meedeelen, hoe zich Oldenbamevelt over de onmogelijkheid om met Philips vrede te sluiten aan Elisabeth verklaarde: „soo veel mijn Heeren de Staten

Sluiten