Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dreigden naar de Hollandsche grenzen en begonnen met Maurits te onderhandelen; het was te vreezen, dat zij desnoods met dezen gemeene zaak zouden maken. Om het ergste te voorkomen moest de landvoogd zich voor de muiters vernederen en met hen in schikking treden; hij ruimde hun Tienen als kwartier in, zorgde voor hun onderhoud, en gedoogde dat zij buiten dienst bleven zoo lang de achterstallige soldij niet geheel was aangezuiverd. Dus voorkwam hij het overloopen tot Maurits, maar hij moest aanzien hoe zij een rond jaar op kosten van het land teerden, zonder eenig aandeel te nemen aan de gewichtige krijgsbedrijven, die intusschen plaats hadden. Eerst zijn tweede opvolger, Albrecht, werd, niet vroeger dan het jaar 1596, in staat gesteld om hen af te betalen.

Wat van hen en huns gelijken het arme land te lijden had, laat zich niet beschrijven: de vroeger hoogst welvarende gewesten geraakten ontvolkt en woest. De natie, die bij den intocht van Ernst nog vol hoop was geweest, werd wanhopig, nu alle uitzicht op vrede, zoowel als op doortastend oorlogvoeren, verdwenen was.

Niet minder dan het volk waren de edelen misnoegd en weerbarstig. Hun hoop op een nationaal bestuur onder Ernst was teleurgesteld: meer dan ooit waren het Spanjaarden die regeerden. En met wat recht ? Had het verdrag van Atrecht niet bepaald, dat alleen inboorlingen in den Raad van State zitten zouden ? In stelligen strijd met den geest dier bepaling zag men, onder den naam van Raad van Oorlog en Raad van Financiën, twee staatslichamen, grootendeels uit Spanjaarden samengesteld, met het bestuur van alle gewichtige aangelegenheden belast 1). In den eenen Raad was Fuentes, in den anderen Ibarra de hoofdpersoon. De trots van die lieden was onuitstaanbaar; zij hadden voor niemand ontzag, die niet van hun bloed en hun natie was. Daartegen verhief zich het eergevoel der Nederlandsche grooten, die in geboorte en aanzien voor niemand behoefden onder te doen, van Aerschot, uit het doorluchtige huis van Croy gesproten, wiens inkomsten en hofhouding vorstelijk waren, van Chimay, zijn zoon, die, toen hij Ernst in Brussel binnenleidde, tweehonderd edellieden in zijn gevolg had 2), van den ouden Mansfeit, die zelf de

t) Vgl. Van Meteren, B. XX, f. 422.

2) Vgl. zijn „Mémoires autographes, publiés par M. de Reiffenberg." Bruxelles 1846, p. 65. — Deze overigens onbeduidende Mémoires geven een juiste voorstelling van het huishouden van een Belgischen groote uit dien tijd.

Sluiten