Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verminderden hun middelen beneden het gewone; daarbij aarzelden zij, niet zonder reden, den vijand, die zich in Frankrijk zoo gedacht toonde, naar hun zijde te lokken. Alleen om aan de dringende eischen van Buzanval en zijn Koning te voldoen, verscheen Maurits in Juli in het veld; nog waren de twintig vaandels, die later tot ontzet van Kamerijk aan Hendrik werden toegezonden, bij het leger; maar zelfs met deze was het niet sterker dan zesduizend vijfhonderd man te voet en duizend ruiters. Met die macht wilde Maurits beproeven of hij de sterke vesting Grroenlo bij overrompeling nemen kon; immers, als het beleg lang moest duren, en er ontzet kwam opdagen, zou hij, met zoo weinig troepen, genoodzaakt wezen op te breken. Wat hij gevreesd had, gebeurde; Groenlo bood tegenstand; Mondragon, een grijs maar nog voortvarend veldheer uit Alva's school, snelde de vesting te hulp, en het beleg moest worden opgebroken. Den verderen zomer lagen beide legers, even sterk ongeveer, werkeloos tegenover elkander, het een het ander bespiedend of het zich misschien bloot zou geven. Een poging van Maurits om een Spaansche krijgsbende, die op fourageeren was uitgegaan te onderscheppen, mislukte en had droevige gevolgen; de ruiterschaar, die hij ermede belast had, werd door den vijand met overmacht aangevallen en verslagen; de aanvoerders, Philips van Nassau en Ernst van Solms, sneuvelden; een broeder van Philips, Ernst van Nassau, raakte gevangen en moest voor een groot losgeld worden vrijgekocht. De slag trof gevoelig; vooral Philips van Nassau werd betreurd en gemist; hij was een ondernemend overste geweest, die zijn aangenomen vaderland reeds gewichtige diensten had bewezen, en nog meer dienst beloofde. Vriend en vijand roemden zijn krijgsdeugd: den naam van Nassau droeg hij met eere in het graf 1).

Het was alsof den Staten dit jaar niets mocht gelukken. Heraugière overrompelde Lier, een belangrijke, sterk gelegene stad, halverwege tusschen Mechelen en Antwerpen; maar nog korter dan hij Huy gehouden had, behield hij deze plaats. De plunderzucht zijner soldaten maakte het den ijlings toegeschoten vijand gemakkelijk haar te hernemen. Driehonderd oude beproefde krijgslieden kwamen bij den aanslag om het leven.

Onderwijl was er, het geheele jaar door, tusschen Zuid- en Noord-Nederland over vrede gehandeld. Fuentes zag daarin terecht

1) Woorden van Philips' broeder, den Frieschen stadhouder: Archives, II® série, I, p. 346. — Vervou, blz. 66, noemt hem „een wildt en roeckeloos Heer."

-

Sluiten