Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

had genoopt; tegen Spanje beveiligd, zouden de rebellen aanstonds in oneenigheid, misschien wel in strijd geraken. Hij voorzag het met boosaardig genoegen. Daarom raadde hij de Brusselsche regeering het sluiten van een bestand met de Vereenigde Provinciën aan, al moest zij haar ook te voordeelige voorwaarden inwilligen, en zelfs haar republikeinsche regeering voorloopig in wezen laten. De verdeeldheid, die men nu reeds zag smeulen, zou dan weldra ontvlammen, en vanzelf tot onderwerping aan den Koning nopen. — Hoe juist Lipsius geoordeeld had, hebben de gebeurtenissen gedurende het twaalfjarig Bestand geleerd. Maar zijn sluwheid benadeelde voor het oogenblik alleen hen, die hij dacht te dienen; want zijn brief, die toen eens ruchtbaar geworden was, deed meer dan iets anders de oogen open gaan voor het verraad, dat in den vredehandel verscholen lag. De lust tot vrede, die de natie een poos bevangen had, verging haar weder. Toen in het najaar een Belgisch edelman, onder voorwendsel van de bijzondere belangen van het huis van Croy waar te nemen, in Den Haag kwam *), en niet alleen den afgebroken vredehandel weer zocht aan te knoopen, maar zelfs al te openlijk de burgerij tegen den oorlog en voor den vrede trachtte op te ruien, gevoelden de Staten zich zeker genoeg van de gezindheid der natie, om dien gevaarlijken persoon het land uit te wijzen. Inderdaad, de trek naar vrede was over: de Leidsche Kamer van Rhetorica, die dit jaar een prijsvers had uit te schrijven, koos tot refrein den veel beteekenenden regel: „Voor een beveynsde peys een rechte krijgh te prijsen is;" en al de rederijkers yan Nederland betoogden om strijd, in hun kreupele rijmen, de gulden waarheid van die spreuk 2). Hun verzen werkten zeer krachtig mee om de meening des volks ten goede te wijzigen.

De bedriegelijke vredehandel was dus ontmaskerd en kon niet baten; het krijgsgeweld zou moeten beslissen. En aan wien beter dan aan Fuentes kon de Koning de leiding van den oorlog toeVertrouwen? Geen bekwamer krijgsman had Spanje aan te wijzen; in het ééne jaar zijner landvoogdij had hij meer voordeelen behaald, dan zijn voorgangers in al de jaren sedert de nederlaag der armade. En zijn krijgsgeluk had hem ook bij de bevolking in

1) Zie den brief van Havré, bij Bor, IV, blz. 134.

2) Bor, IV, blr. 202. — Van Vloten, Nederl. Geschiedzangen, II, blz. 335. Het refrein was slechts de vrije vertaling van het opschrift, dat op de munt, ter gedachtenis van den Keulschen vredehandel geslagen, te lezen stond: „praestat pugnare pro patria, quam simulata pace decipi."

Sluiten