Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de breede beschrijving lezen van al de handelsschatten, daar door elke natie van Enropa in gansche vloten ter markt gebracht. Ons is het genoeg uit den mond van Badoero, den Yenetiaan, die in zijn moederstad toch ook handelsbeweging gezien had, te hooren, dat nergens ter wereld een zoo uitgebreide handel gedreven werd als te Antwerpen *). Wat Brugge niet geweest was, een eerste geldmarkt, was Antwerpen. Daar hadden de Duitsche Fuggers en Welsers , de Italiaansche Gualterotti en Buonvisi hun kantoren. De Indische specerijen, die sedert Gama en Columbüs te Lissabon en Seville werden aangevoerd, werden eerst van Antwerpen uit over midden-Europa verzonden.

Maar Brugge voorheen en later Antwerpen namen weinig deel aan de scheepvaart, die haar handel bezig hield: van de tallooze schepen, die haar havens binnenliepen, hoorden er slechts weinige bij haar te huis. Tevreden, nu een ieder op haar markten kwam koopen en verkoopen, gingen zij niet zelf van heinde en ver de waren bijeenhalen. De Italianen en Spanjaarden in het Zuiden en de Hansa-steden in het Noorden hadden meest de vaart in.

De luister van Brugge , Gent en Antwerpen verduisterde al wat in den omtrek scheen: de noordelijke gewesten verdwijnen in den glans van Brabant en Vlaanderen. Toch deelden ook zij eenigermate in den voorspoed hunner meer schitterende naburen. De goederen, door Duitschland naar de algemeene markt gebracht, kwamen den Rijn af naar Tiel 2) 'en later naar Dordrecht, dat, door de Hollandsche graven met stapelrecht en Maasrecht begunstigd, tot schade der overige riviersteden den alleenhandel verwierf. De handel op Duitschland bracht weer anderen handel voort; ter ruiling tegen het Duitsche hout en den Duitschen wijn werd zout en haring en Fransche wijn in overvloed aangevoerd; Brabanders en Vlamingen, zelfs Oosterlingen, bezochten de Dortsche markt 3). Ook ging een goed deel van den handel van Keulen op het Noorden, zonder Brugge of Antwerpen aan te doen, langs den Rij-1 en

1567, is hoogst zeldzaam; ik citeer daarom de derde, van 1588 maar ik heb ze beide vergeleken, en steeds de oorspronkelijke beschrijving van de latere toevoegsels onderscheiden.

1) Relazioni, p. 290.

2) Zie den rijkdom en de weelde van Tiel, in de eerste helft der 11de eeuw, beschreven door Alpertus Mettensis, bij Pertz, Monum. Germ. IV, p. 718.

3) Den aard van den Dortschen handel leert men het best kennen uit de „Getuigenis van de oudste en vroedste Poorters der stad Dordrecht, hoeveel zij op de Geldersche tollen schuldig z«n" (a. 1307), bij Van de Wall, Handv. v. Dordrecht. I, blz. 131; vgl. t. z. pL blz. 88, 89, 102.

Sluiten