Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gruwelijke oorlogen van Karei van Gelder, van Maarten van Rossem, te lijden gehad. Zij hadden zich nog niet geheel van die langdurige uitplundering hersteld, toen reeds de verwoestende opstand tegen Spanje begon; zij waren dus natuurlijk bij Holland en Zeeland achtergebleven, die sedert lang een bijna onafgebroken vrede genoten hadden 1). Wat Vlaanderen en Brabant onder de zuidelijke gewesten zijn, zijn Holland en Zeeland onder de noordelijke.

Zoodanig was de toestand, toen de onlusten begonnen, veel voorspoediger dan men zich dien gewoonlijk voorstelt. Ik heb hem uitvoerig geschetst, omdat het mij voorkomt, dat, zonder een juist begrip van de welvaart, die Holland bij het begin van den opstand genoot, de loop van den oorlog zelf onverklaarbaar is. Hoe hoog men den moed van het voorgeslacht ook schatten moge, wat vermag moed zonder krijgsmiddelen ? Hadden Holland en Zeeland geen overmacht ter zee boven de Spanjaarden en de gehoorzame gewesten gehad, de opstand had niet kunnen gelukken. Van de zee is de verlossing gekomen; zonder den bijstand der watergeuzen had het vertreden volk zich misschien nimmer opgericht ; zonder de schatten, die de zeevaart opleverde, had het zeker den kostbaren oorlog niet zooveel jaren kunnen volhouden.

Gelijk de handel den krijg bekostigde, zoo voedde de krijg wederkeerig den handel. Het was een geluk voor den opstand, dat hij zich slechts een korte poos over geheel Nederland kon uitbreiden, doch op den duur binnen enge grenzen beperkt bleef. Wat hij dus aan uitgebreidheid verloor, won hij in verdubbelde kracht; de ondernemendste mannen van al de gewesten stroomden naar dit eene toevluchtsoord te zamen. Indien wij letten op de geboorteplaats van de regenten, geleerden, predikers, kooplieden, fabrikanten, die in ons tijdvak Holland tot eer zijn geweest, dan staan wij verwonderd over het aantal dergenen onder hen, die uit het zuiden geboortig waren: Aerssen, de griffier der Staten-Generaal; Caron, de gezant van het Engelsche Hof; Nicaise de Sille, de pensionaris van Amsterdam 2); Lipsius, de roem

1) Nog in 1620 wordt Friesland als achterlijk en oubeschaafd beschreven door den Engelschen gezant Carleton; zie zijn brief van 24 Sept. p. 494 der oorsp. uitg.

2) In 1586 wees de bekende Prouninck de regeering van Utrecht op de vreemde afkomst van vele regenten. „Wordt bevonden (zegt hij) dat die pensionaris van Vlissingen ende de ierste edelman der Staten van Zeelant beyde Vlamingen zijn; de Baljuw van Veere, nu op de Generale Staten compareerende, metten pensionaris van de Staten van Zeelant en de pensionaris van Middelburg, alle geboren Brabanders; zoo oock de

Sluiten